Karlo van Dam (KGG) over verduurzaming industrie:
‘De tijd van plannen is voorbij’

De verduurzaming van de Nederlandse industrie is geen luxe, maar noodzaak. Toch is het pad vol hobbels: hoge energiekosten, netcongestie, trage vergunningprocedures en onzekerheid over beleid maken het ondernemers niet gemakkelijk. “We moeten zorgen dat de industrie hier kán verduurzamen”, zegt Karlo van Dam, directeur Verduurzaming Industrie bij het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG). “Liever groen hier, dan grijs elders.”
Van Dam waarschuwt voor een te simpele reflex: dat het vertrek van vervuilende industrie vanzelf leidt tot een schonere economie. “Als bedrijven vertrekken, halen we onze producten straks uit fabrieken buiten Europa waar veel minder duurzaam geproduceerd wordt. Dan importeren we die ‘grijze’ producten die ook nog hiernaartoe moeten worden vervoerd, verliezen we werkgelegenheid én grip op de verduurzaming van onze consumptie.”
Volgens Van Dam gaat het om veel meer dan klimaatdoelen alleen. “Een ongecontroleerd vertrek van bedrijven ondermijnt onze autonomie en weerbaarheid. We moeten nagaan: welke industrie willen we in Nederland en Europa behouden, en onder welke voorwaarden? Zeker in regio’s als Zeeland of Limburg, waar industrie een belangrijk deel vormt van de lokale economie.”
De overheid moet volgens hem de juiste voorwaarden scheppen: een betrouwbare infrastructuur, betaalbare energie en duidelijk beleid. “De energiekosten zijn nu de grootste rem op investeringsbesluiten. Als we die niet concurrerender krijgen, wordt het voor echt energie-intensieve bedrijven lastig om rendabele businesscases te bouwen.”
Van plannen naar uitvoering
De afgelopen jaren is er veel beleid ontwikkeld om de industrie te verduurzamen. Nu is het tijd om dat beleid te vertalen naar uitvoering, stelt Van Dam. “Er liggen goede plannen. Nu moeten we projecten realiseren, vergunningen verlenen, kabels trekken, fabrieken bouwen. Dáár ligt het verschil tussen ambitie en resultaat.”
Die vertaalslag gebeurt volgens hem vooral in de industriële clusters, waar overheid, netbeheerders en bedrijven samenwerken aan concrete oplossingen. “Juist als je samen aan tafel zit en letterlijk in de boeken kijkt — wat is het plan, waar loop je tegenaan, wat is er nodig — dan kom je verder. Niet in Brussel of Den Haag, maar op de werkvloer.”
Knelpunten in de praktijk
Uit gesprekken met de zestig grootste uitstoters die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) jaarlijks houdt komt volgens Van Dam een duidelijk beeld naar voren. “Netcongestie en infrastructuur voor duurzame energiedragers zijn dé grootste knelpunten. Bedrijven willen wel, maar lopen vast. Er wordt aan oplossingen gewerkt, maar het tempo moet omhoog.”
Daarnaast ziet hij spanning tussen de lange termijn en de korte termijn. “Vraagcreatie — marktvraag naar groene producten — is op de lange termijn dé gamechanger. Maar op korte termijn hebben bedrijven te maken met hoge kosten en liquiditeitsproblemen. Daar moeten we tegelijk iets aan doen.”
Toch is hij niet somber. “We zien vooruitgang. De Indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS), een tegemoetkoming in de energiekosten, is met een aantal jaren verlengd, de plastic taks is verdwenen, de raffinageroute is werkbaar gemaakt. Dat zijn echte stappen. Maar het speelveld is nog niet gelijk.”
Europese doorbraak
Veel hoop is gevestigd op de nieuwe Industrial Accelerator Act, een Europese wet die naar verwachting nog dit jaar wordt gepresenteerd. “Tot nu toe zagen we vooral actieplannen”, zegt Van Dam. “Deze wet maakt het concreet. Ze geeft de Europese Commissie instrumenten om marktvraag te stimuleren en investeringszekerheid te creëren. Daarmee gaat het eindelijk van papier naar praktijk.”
Ook nationaal wordt gewerkt aan beter samenspel tussen overheid en industrie. Zo is onlangs de Dialoog over Infrastructuur voor Industrie in Transitie (DIVIT) gestart (de opvolger van de Cluster Energie Strategie - CES), waarin bedrijven, netbeheerders en overheden gezamenlijk hun plannen spiegelen aan elkaar en bespreken hoe schaarse netcapaciteit het best kan worden verdeeld. “Meer transparantie en overleg moeten leiden tot snellere en transparantere keuzes”, aldus Van Dam.
Vertrouwen en realisme
Naast technische en juridische drempels ziet Van Dam ook een mentale uitdaging. “Veel hoofdkantoren van grote uitstoters zitten buiten Nederland. Dat maakt de besluitvorming complex. In de VS zie je dat verduurzaming politiek tijdelijk wordt afgeremd, terwijl wij juist willen versnellen. Dat spanningsveld voelen we elke dag.”
Toch blijft hij hoopvol. “De transitie slaagt alleen als mensen en bedrijven die kunnen bijbenen. We moeten ambitieus zijn, maar ook realistisch. Dat betekent doorgaan met maatwerk voor grote uitstoters, maar ook generieke maatregelen en subsidies voor het mkb.”
Vooruitblik
Wat is zijn ideaalbeeld voor de komende jaren? “Dat bedrijven weer durven investeren in een groene toekomst, omdat het investeringsklimaat en de verduurzamingsdoelen weer in balans zijn. Verduurzaming is geen kostenpost, maar een investering in onze welvaart, veiligheid, zelfstandigheid en toekomstbestendigheid. Een vergroende industrie ís de economie van morgen.”
Nienke Homan (VNCI) over de volgende stap in de energietransitie
‘Meer regie, meer realisme’

De verduurzaming van de Nederlandse industrie vraagt om meer snelheid én meer regie. Dat zegt Nienke Homan, voorzitter van Koninklijke Vereniging voor de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI). “De richting is helder, maar het tempo ontbreekt nog. We hebben de juiste mensen aan tafel, maar nog niet genoeg mensen uit de hele samenleving. Ook afnemers en consumenten moeten mee.”
Volgens Homan is het besef van urgentie in Nederland nog te beperkt. “In Brussel en omringende landen voelt men de crisis veel sterker. We zien hier een afname van industriële productie – zeker in de chemie – maar doen alsof dat vanzelf goedkomt. Dat is gevaarlijk, want het raakt direct aan onze welvaart en strategische onafhankelijkheid.”
De oplossing ligt volgens haar, naast het creëren van de juiste randvoorwaarden door de overheid, in vraagcreatie: zorgen dat de markt zélf duurzame producten wil en kan afnemen. “We hebben jarenlang ingezet op subsidies en regelgeving. Dat blijft nodig, maar de oude reflex van ‘meer aanbod’ werkt niet meer. We moeten de vraagkant activeren: de kopers, inkopers, consumenten en ketenpartners. Alleen dan krijgt de businesscase voor groene productie echt vorm.”
Daarnaast pleit Homan voor meer samenhang tussen klimaat, energie en economie. “De transitie is geen optelsom van losse projecten. Het is een gezamenlijke opgave. Dat vraagt duidelijke keuzes, samenwerking en voorspelbaar beleid. Zodat bedrijven weten waar ze aan toe zijn en kunnen investeren.”
Haar advies aan het nieuwe kabinet: zie de energietransitie als industrie- én veiligheidsbeleid. “Verduurzaming is geen kostenpost, maar een investering in onze welvaart en weerbaarheid. Met meer regie en realisme kunnen we nu echt doorpakken.”