Onderwijs Onderweg is het programma waarmee we samen het onderwijs voor brandweer- en crisisprofessionals verbeteren. In opdracht van de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s (RCDV) en het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) werken we in etappes aan een onderwijsstelsel dat praktijkgericht, flexibel en toekomstbestendig is.
Na het leggen van de basis in etappe 1, hebben we in etappe 2 hard gewerkt aan het krijgen van meer inzicht in het onderwijsstelsel. Dat deden we met een groeiend team – inmiddels van 5 naar 17 mensen – en met veel energie en betrokkenheid uit het veld. We richtten ons op vijf belangrijke speerpunten, met als zwaartepunt drie praktijkcases: Manschap, Operationeel Leider/Leider CoPI en het brandweerduikonderwijs. Ook zijn we gestart met het ontwikkelen van een gezamenlijke onderwijsvisie en met het vereenvoudigen van wet- en regelgeving.
In dit Swipezine lees je niet alleen wat het harde werken tot nu toe heeft opgeleverd, maar vooral ook waar we nu volop mee bezig zijn. We bouwen verder aan concrete ideeën, voorstellen en projecten die samen met mensen uit de praktijk zijn opgehaald én worden uitgewerkt. Etappe 3 is in volle gang en laat zien hoe professionals uit het veld en uit het onderwijs steeds meer samen optrekken.
Wil je tussendoor op de hoogte blijven? Sinds kort zijn ons platform én onze LinkedIn-pagina live. Volg ons vooral en blijf aangehaakt bij wat er allemaal in beweging is.
Veel leesplezier!
Frans Schippers
Programmadirecteur Onderwijs Onderweg
De tweede etappe van Onderwijs Onderweg liep van 18 oktober 2024 tot 31 januari 2025. Dit was een vrij korte periode, waarbij eind januari sommige projecten in de uitvoeringsfase zaten en anderen pas net waren gestart. De besluitvorming over de resultaten van deze etappe vond plaats op 11 april in de RCDV.
Onze ambitie was om in etappe 2 ervaring op te doen met het onderwijsstelsel.
We werkten aan vijf belangrijke thema’s:
- De vraag uit de beroepspraktijk voor de functie Manschap.
- De vraag uit de beroepspraktijk voor Operationeel Leider en CoPI.
- De organisatie van het duikonderwijs.
- De start van een gezamenlijke onderwijsvisie.
- Een voorstel voor vereenvoudiging van wet- en regelgeving.
Een van de belangrijke uitkomsten van de tweede etappe was de inventarisatie van de vraag uit de beroepspraktijk voor manschap. Uit een brede gespreksronde en inventarisatie bleek de behoefte om de functie Manschap op te splitsen in drie typen functies: Brandwacht A, B en C (voorlopige werktitel), met een specialisatie voor brandbestrijding en hulpverlening. Op 11 april heeft de RCDV hiermee ingestemd en besloten dat dit als vertrekpunt geldt voor de volgende stap: de uitwerking van de kwalificatiedossiers. Ook is besloten dat de doctrines (de basisprincipes onder het vak) met prioriteit opgepakt worden bij de uitwerking van ‘Grote werk 3 over toekomstbestendige brandweerzorg'.
In de tweede etappe is ook gestart met de verkenning van de vraag uit de beroepspraktijk voor Operationeel Leider en Leider CoPI en met het in kaart brengen van de organisatie van het duikonderwijs.
Voor de onderwijsvisie is in etappe 2 een projectleider geworven en gevonden en is een eerste verkenning van de opdracht gemaakt. De onderwijsvisie kreeg daarmee een brede start, waarbij alle opleidingsinstituten zijn aangesloten.
Tot slot werkten we aan een voorstel om de wet- en regelgeving eenvoudiger te maken. Hiervoor is een ‘two pager’ gemaakt met daarin de belangrijkste wijzigingen die nodig zijn. Ook is een voorstel voor een pilot met ‘ijkfuncties’ gemaakt. Doel van de pilot is om te ontdekken of in de toekomst meer functies landelijk vastgesteld kunnen worden door het veiligheidsberaad, zodat alleen de ‘ijkfuncties’ door de minister vastgesteld hoeven te worden.
Etappebijeenkomst als tussenmoment
Op 6 februari 2025 kwamen we samen in het Regionaal Opleidingscentrum Brandweer in Waalre. Deze bijeenkomst markeerde het einde van etappe 2 én de start van etappe 3. In een inspirerende setting, met als thema de Olympische Spelen, blikten we terug én vooruit. Projectleiders deelden hun ervaringen en gingen met de deelnemers in gesprek. Er klonk één duidelijke boodschap: 'We moeten dit samen doen'.
Bekijk ook de video die tijdens deze bijeenkomst is gemaakt:
We zijn inmiddels volop bezig met etappe 3. In deze fase werken we verder aan de speerpunten uit etappe 2.
Het gaat dan om:
- De uitwerking van de onderwijsvisie.
- Het in kaart brengen van de vraag vanuit de beroepspraktijk voor de functies Operationeel Leider en Leider CoPI.
- De organisatie van het duikonderwijs.
- Het toetsen van het huidige kwalificatiedossier manschap voor Brandwacht C.
Meer over deze onderwerpen lees je in de andere artikelen in dit Swipezine.
Eén opleidingsinstituut
Verder wordt er ook nog gewerkt aan:
- De besluitvorming over het voorstel voor de two pager en de pilot ijkfuncties.
- Het versterken van de samenwerking tussen opleidingsinstituten en inventariseren of de veiligheidsregio’s en opleidingsinstituten de behoefte hebben om een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar één opleidingsinstituut.
- De beschrijving van de inrichting van het onderwijsstelsel, zodat we hier in etappe 4 mee verder kunnen.
Benieuwd naar wat deze onderwerpen inhouden? De komende tijd geven we op ons platform meer informatie hierover.
Er gebeurt veel en het tempo ligt hoog. Daarom is besloten deze etappe te verlengen tot medio september 2025. Zo hebben we genoeg tijd om projecten goed af te ronden en de kwaliteit te borgen. De geplande etappebijeenkomst op 27 mei is daarom ook verplaatst naar 18 september 2025. Meer informatie hierover volgt op het platform. Tijdens deze etappebijeenkomst blikken we opnieuw samen terug én vooruit.
In etappe 3 van het Programma Onderwijs Onderweg onderzoeken we welke vraag er vanuit de beroepspraktijk leeft met betrekking tot de opleidingen voor beginnend Operationeel Leider en Leider CoPI. Projectleider Annemarie van Daalen vertelt over het te volgen traject; Gerben van Alst belicht nut en noodzaak vanuit het oogpunt van de landelijke Vakraad Risico- en Crisisbeheersing.
Het traject start met het opstellen van een behoeftevraag vanuit de beroepspraktijk. Annemarie van Daalen en Selma van der Haar (Decaan Crisisbeheersing) begeleiden dit proces. “Wat denkt de praktijk nodig te hebben om de rol van Operationeel Leider en Leider CoPI goed in te vullen?”, verduidelijkt Annemarie. “Hiervoor gaan we in gesprek met Operationeel Leiders en Leiders CoPI, maar ook met crisispartners, bestuurders en de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV). Het draait niet alleen om de behoeften vanuit de crisisorganisaties, maar ook om verwachtingen die de rest van het speelveld heeft van deze functionarissen.”
Boeiend beeld
Er is gekozen voor een aanpak in drie fases: eerst zogenoemde ophaalsessies met stakeholders en vervolgens een literatuurstudie. Op basis daarvan wordt een eerste conceptvraag geformuleerd, die in de derde fase opnieuw wordt besproken met betrokkenen. Annemarie verwacht dat er een boeiend beeld ontstaat. “Een bestuurder kijkt vanuit een ander perspectief dan een Operationeel Leider zelf doet. Er spelen verschillende belangen en die belangen kunnen regionaal ook weer anders zijn. Daarom hopen we dat verschillende partijen met ons willen meedenken. Om gehoord te worden, maar ook om een goed vakinhoudelijk gesprek met elkaar te voeren.”
In september vinden bij het NIPV in Arnhem fysieke bijeenkomsten plaats met Operationeel Leiders, Leiders CoPI en crisispartners. Er volgen aparte online sessies met zowel de RCDV als bestuurders. De onderwijsvernieuwing voor beginnend Operationeel Leider en Leider CoPI is overigens gekoppeld, omdat in de praktijk ook de kwalificatiedossiers voor beide functies aan elkaar zijn gerelateerd. Verandering van de een heeft invloed op de ander, en omgekeerd.
Prangende thema’s
Hoewel alle input welkom is, werpt een aantal thema’s zijn schaduw vooruit. Annemarie: “De huidige crisisorganisatie is ingericht op crises van maximaal 72 uur, maar corona en de opvang van vluchtelingen duurden vele malen langer. Langdurige crises betekenen iets voor de crisisfunctionarissen. Daarnaast sluit de frequentie van de opleidingen die vanuit het NIPV worden aangeboden niet altijd aan op de vraag vanuit de veiligheidsregio’s. Zouden we dit kunnen oplossen door het onderwijs flexibeler te maken? En hoe kijken we eigenlijk tegen het onderwijs zelf aan? Is dat nog wel van deze tijd? Blijven we lesgeven in een klaslokaal of zoeken we meer de werkvloer op? Daar gaan we het met elkaar over hebben.”

‘We zoeken iets wat we nu nog niet doen’
Gerben van Alst is Hoofd Crisisbeheersing van Veiligheidsregio Fryslân en lid van de landelijke Vakraad Risico- en Crisisbeheersing. Hij is blij dat Onderwijs Onderweg zich bezighoudt met de verbetering van het onderwijs en daarin ook kijkt naar de beginnend Operationeel Leider en Leider CoPI.
“Het is goed dat de hele cyclus – kwalificatiedossiers, examineren en opleidingen – als geheel wordt bekeken”, vindt Gerben. “Dat we die cirkel rondmaken is echt de kers op de taart. Daarmee gaan we terug naar de vraag: Waar hebben we het nu eigenlijk over? Wat houden de rollen Operationeel Leider en Leider CoPI precies in? Welk type mens hebben we daarvoor nodig? Wat moet zo iemand kunnen als het gaat over leiderschap, kennis en vaardigheden? Volgens mij hebben we dat niet eerder op deze schaal gedaan.”
Politieke druk
De timing is bovendien perfect. “We stonden op het punt de kwalificatiedossiers voor Operationeel Leider en Leider CoPI te herzien. Het is goed dat we dit binnen de brede scope van Onderwijs Onderweg doen, want de wereld van crisisbeheersing is enorm in beweging. We hebben bijvoorbeeld te maken met langdurige crises. Dat vraagt om coördinatie en dat betekent ook iets voor de rollen Operationeel Leider en Leider CoPI. Anders dan bij flitsrampen kunnen zij te maken krijgen met aspecten als politieke druk en de impact van een crisis op de lange termijn. Crisisfunctionaris is geen functie die je er zo maar even bij doet. Leider CoPI en Operationeel Leider behoren tot de backbone van de crisisorganisatie; het zijn sleutelfiguren in coördinatie.”
Wat de zoektocht van Onderwijs Onderweg gaat opleveren, vindt Gerben lastig te voorspellen. “Ik geloof niet dat we ineens een heel ander soort crisisfunctionarissen zoeken. Dus qua inhoud zal het onderwijs in grote lijnen hetzelfde blijven. Met hoogstens een aantal nieuwe methoden en vaardigheden. De vernieuwing zit denk ik meer in de onderwijsvorm. In Friesland werken we met ontkleurde Operationeel Leiders en Leiders CoPI. Moet een gemeentesecretaris of een medewerker van Rijkswaterstaat dezelfde opleiding volgen als iemand van de brandweer? Het zou mooi zijn als we meer maatwerk kunnen bieden. Ik denk dat we iets zoeken wat we nu nog niet doen: onderwijs waarin kennis, kunde en innovatie samenkomen.”
Collectief
Als Gerben vanuit Fries oogpunt kijkt, hoopt hij óók op flexibeler onderwijs. “Het is voor ons duur en onpraktisch om naar het NIPV in Arnhem te moeten. Dat is geen kritiek, maar een situatie waar we nu eenmaal mee te maken hebben. Dat lossen wij op door in huis opleidingen te organiseren. Uiteraard met de kwalificatiedossiers als basis, maar verder zijn we geen onderdeel van het grotere geheel. Het zou mooi zijn als er een match valt te maken tussen vraag en aanbod. Waardoor wij niet ons eigen pad hoeven te bewandelen, maar we weer gebruikmaken van de kracht van het collectief.”
Wat vraagt de praktijk van een beginnend brandweerman of -vrouw? Met dit vraagstuk ging het programma Onderwijs Onderweg op pad door heel Nederland. Met als resultaat: er is behoefte aan meer flexibiliteit. Vanuit het programma is een voorstel gedaan om de functie op te splitsen drie niveaus: Brandwacht A, B en C. De Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV) ondersteunt dit voorstel.
De mogelijke splitsing naar Brandwacht A, B en C kan de nodige vragen oproepen. Wat is de achterliggende reden om tot dit voorstel te komen? Wat betekent het als er drie niveaus komen en wat lost die verandering op? Zijn er ook twijfels over dit voorstel? We staken ons licht op bij drie leden van de landelijke Vakraad Incidentbestrijding (Vakraad IB): Jan Hazeleger (Veiligheidsregio Utrecht), Jan Mueters (Veiligheidsregio Limburg-Noord) en Sietse Smit (Veiligheidsregio Groningen).
Kleine vijver
“Anders opleiden kan een oplossing zijn voor ons wervingsprobleem”, zegt Sietse Smit. “In Groningen vissen we in een kleine vijver om onze groep van 750 vrijwilligers op peil te houden. We vragen daarbij veel van geïnteresseerden als het gaat om geschiktheid en beschikbaarheid. Daarbij vormt de lengte van opleiding soms een struikelblok. Het vooruitzicht om eerst twee jaar te moeten leren, schrikt sommige mensen bij voorbaat af. Terwijl we ook regelmatig kandidaten hebben die door omstandigheden tijdens de opleiding uitvallen. Met een onderwijssysteem met kortere opleidingen op drie niveaus is het instapniveau lager, kunnen kandidaten sneller de praktijk in en hebben ze meer regie over hun vervolgopleiding. Het doel blijft overigens om de complete opleiding te voltooien. In ons dekkingsplan gaan we ervanuit dat er een volwaardig – met Brandwachten C – bezette TS ter plaatse komt. De nieuwe indeling in A, B en C is dus niet direct de oplossing voor onze huidige dekkings- en paraatheidsproblemen.”
Jan Mueters ziet een andere belangrijke reden voor de indeling A, B en C: vakbekwaam blijven. “Manschappen moeten heel veel leren tijdens hun opleiding. De ervaring in onze regio is dat ze sommige van die vaardigheden daarna slechts een paar keer per jaar oefenen, want meer tijd is er simpelweg niet. Ben je dan vakbekwaam? Wij hebben gezegd: we willen meer focus; manschappen hoeven geen alleskunners te zijn. Laten we ons richten op de 95 procent van de incidenten die relatief vaak voorkomen. Wij hebben daarom de ‘Behapbare Basis’ ontwikkeld. Onze manschappen leren de belangrijkste vaardigheden, die ze daarna goed kunnen oefenen en ook daadwerkelijk in de praktijk gebruiken. Voor de vijf procent van de incidenten die echt ingewikkeld is, hebben we specialistische teams ingericht.”
Breed blijven opleiden
Jan Hazeleger ziet de voordelen van splitsing in niveaus, maar pleit daarnaast wel voor behoud van kwaliteit. “Ik snap dat we moeten meebewegen met de ontwikkelingen in de maatschappij. Het is een feit dat mensen tegenwoordig minder tijd hebben voor de brandweer en dat het soms lastig is om de tweejarige opleiding in één keer helemaal af te ronden. Korter en sneller opleiden kan uitkomst bieden. Maar je kunt ook té snel opleiden. We moeten mensen geen trucjes aanleren. Als we brandweermensen breed blijven opleiden, snappen ze beter wat er van ze wordt gevraagd. Ook in situaties die ze nog niet kennen. Bovendien moeten we ervoor waken dat we alleen nog Brandwacht A en B opleiden. Anders hebben we straks ook geen geschikte kandidaten die kunnen doorstromen naar vervolgopleidingen, zoals Bevelvoerder en Officier van Dienst.”

Veel zal afhangen van de precieze invulling van de drie nieuwe kwalificatiedossiers. Jan Mueters heeft daar een duidelijk beeld bij. “Als Brandwacht B hetzelfde niveau is als de huidige brandweerassistent en Brandwacht C is ongeveer gelijk aan onze ‘Behapbare Basis’, dan blijven we kwalitatief goede brandweermensen opleiden. Aansluitend kan iedere veiligheidsregio specialisten opleiden in vaardigheden waar lokaal behoefte aan is.” Ook Jan Hazeleger ziet kansen voor meer maatwerk: “Het is onzin dat alle manschappen in een regio zich moeten verdiepen in spoorwegincidenten of industriële branden als die risico’s er nauwelijks zijn. Maar we mogen bepaalde vaardigheden ook weer niet te makkelijk bestempelen als ‘onbelangrijk’. Kwaliteit moet leidend blijven.” Jan Mueters maakt zich daar minder zorgen over: “Meer focus leidt mijns inziens tot méér kwaliteit. Het gaat dan om de dingen die er echt toe doen, ook in de oefenprogramma’s.”
Brandwacht A
Over de invulling van Brandwacht A zitten de drie leden van de Vakraad IB op één lijn. Dat zou het niveau kunnen zijn voor vrijwilligers zonder specifieke brandweertaken. Bijvoorbeeld chauffeurs en duikers. Of denk aan de bemensing van kazernes in het geval zij als noodpunt gaan werken in crisissituaties – een onderwerp dat landelijk wordt besproken. Vrijwilligers die deze taken willen uitvoeren, hoeven dan geen volledige brandweeropleiding te volgen. Of andersom bekeken: die taken hoeven niet langer te worden uitgevoerd door brandweermensen, wat de paraatheid van kazernes ten goede kan komen. De plannen om te werken met Brandwacht A, B, en C kunnen ook betekenen dat leden van de Jeugdbrandweer de opleiding Brandwacht A kunnen overslaan en direct instromen bij Brandwacht B.
Heeft het drietal tips over de voortgang van het project Manschap? “Maak het niet te complex”, zegt Jan Hazeleger. “Laten we voorkomen dat een bevelvoerder in de TS moet inventariseren wie – Brandwacht A, B, C – er wel en niet mee mogen naar een incident. Daarnaast hoop ik op een eenduidig onderwijsstelsel – ook voor bevelvoerders en officieren – waarmee we jaren vooruit kunnen en waarmee we qua inhoud flexibel kunnen inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen.” Sietse Smit: “Ik hoop dat de 25 veiligheidsregio’s over hun eigen schaduw durven heenstappen en kiezen voor het algemeen belang. Is dit het Ei van Columbus? Daar durf ik geen duidelijk ‘ja’ op te zeggen. Maar als we gaan wachten op de ideale oplossing, komen we niet verder.” Jan Mueters: “Blijf investeren in het creëren van draagvlak. Bij de introductie van de ‘Behapbare Basis’ hebben wij daar echt de tijd voor genomen. We hebben al onze kazernes bezocht en heel veel manschappen gesproken. In die gesprekken ervaarden wij veel redelijkheid. Men snapte echt wel dat het anders moest.”
Binnen het programma Onderwijs Onderweg onderzoeken we ook of het brandweerduikonderwijs op een andere manier kan worden georganiseerd. Het gaat daarbij niet zozeer over de inhoud van de opleidingen, maar vooral over de organisatievorm. Welke opties zijn mogelijk om iets te doen aan de huidige kwetsbaarheid en om meer regie te krijgen?
Het brandweerduikonderwijs in Nederland is professioneel georganiseerd en van een goed niveau. Wel is in de visie waterongevallenbeheersing (2023) gesteld dat ‘er behoefte is aan regie op het vakbekwaam worden en blijven voor de kerntaak waterongevallen’. “Kunnen we het brandweerduikonderwijs meer van en voor de brandweer maken?”, stelt projectleider Odiel Nolet. “In ons project gaan we het speelveld in kaart brengen en stellen we voorwaarden op voor toekomstbestendig brandweerduikonderwijs. Dit moet leiden tot een voorstel over hoe we de brandweerduikopleidingen – het vakbekwaam worden – samen beter kunnen organiseren.”
De behoefte aan meer regie heeft een aantal redenen, vertelt Duncan van de Laar, lid van de Vakraad Leren & Ontwikkelen. “We hebben op dit moment twee opleidingsinstituten voor het brandweerduiken, BC-opleidingen en BOGO Brandweeropleidingen. Als er – om wat voor reden dan ook – een komt te vervallen, hebben we een groot probleem. Daarnaast hebben we vanuit de brandweer onvoldoende invloed op het lesaanbod. In de huidige situatie worden brandweerduikers opgeleid volgens de strenge voorwaarden uit wet- en regelgeving. Wat we als brandweer zelf vinden van onze duikfuncties en eventueel aanvullende opleidingen, is een discussie die elke veiligheidsregio voor zichzelf voert. Met meer uniformiteit kunnen we een echte verbeterslag maken.”
Flinke puzzel
Vanuit praktisch oogpunt zou het helpen als het brandweerduikonderwijs meer centrale sturing krijgt. Odiel: “Met slechts twee opleidingsinstituten werken sommige regio’s zich een slag in de rondte om duikers opgeleid te krijgen. Het aantal opleidingsplaatsen en de fysieke afstand tot de opleidingen speelt daarbij een rol. Het kan een flinke puzzel zijn, vooral waar het vrijwillige brandweermensen betreft. Wat ook meespeelt is dat er een kleine groep duikinstructeurs is, op wie een groot beroep wordt gedaan. Het werk dat zij voor het duikonderwijs verzetten, doen zij meestal naast hun reguliere brandweerwerk. Je merkt dat men blij is dat we het brandweerduikonderwijs vanuit een brede invalshoek onder de loep nemen. Er zit al veel energie in dit project.”

De eerste opgave is om het speelveld en de kansen en knelpunten in kaart te brengen. Dit gebeurt onder meer vanuit de Vakraden Incidentbestrijding en Leren & Ontwikkelen. Collega’s uit de veiligheidsregio’s Haaglanden, Utrecht, IJsselland en Zeeland werken samen in één werkgroep die het brandweerduikonderwijs vanuit de praktijk tegen het licht houdt. Andere betrokkenen zijn de huidige twee opleidingsinstituten, het netwerk waterongevallenbeheersing en ook beroepsduikers van andere branches, zoals defensie en politie. De tweede opgave is onderzoeken wat nodig is voor een toekomstbestendige organisatievorm. Op basis van alle input worden hierover voorwaarden opgesteld. Odiel: “We willen alle overwegingen voorleggen en op basis daarvan concrete opties bieden om een keuze te maken.”
Co-productie
De aanpak van deze opgave is een co-productie van het programma Onderwijs Onderweg en de vakraad Leren & Ontwikkelen. Odiel Nolet is binnen het programma Onderwijs Onderweg projectleider Landelijk brandweerduikonderwijs. Zij werkt voor Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. Duncan van de Laar is betrokken namens de Vakraad Leren & Ontwikkelen, waarin hij zich (net als in Veiligheidsregio Haaglanden) bezighoudt met het brandweerduikonderwijs.
Heb je goede suggesties of vragen? Laat het ons weten via onderwijsonderweg@nipv.nl.
Opleidingsinstituten en het NIPV hebben behoefte aan een gezamenlijke onderwijsvisie voor het opleiden van mensen van de brandweer en crisisbeheersing.
Projectleider Ellen Kuipers is samen met deze opleidingsinstituten bezig deze visie te ontwikkelen: “Dit gaat veel duidelijkheid geven.”
Waarom is zo’n onderwijsvisie nodig?
Ellen: “Het is lastig als we met elkaar niet goed scherp hebben waar we eigenlijk naartoe werken. Doen we de goede dingen? Of doen we de dingen steeds op basis van onze eigen opvattingen, met verwarring en niet goed werkende processen als gevolg? Binnen de opleidingsinstituten gebeuren veel mooie en goede dingen. Tegelijkertijd is er een groeiende behoefte aan meer duidelijkheid en gezamenlijkheid. Deze onderwijsvisie gaat die duidelijkheid geven.”
Hoe kom je tot zo’n onderwijsvisie?
“Ik ben begonnen met een rondje langs de velden. Met teamleiders en onderwijskundigen van de verschillende opleidingsinstituten ben ik in gesprek gegaan. Wat verstaan jullie onder een onderwijsvisie? Waarom hebben we dit nodig? Hebben jullie al een onderwijsvisie? En zo ja: wat staat daar dan in? Wat gaat er mis als we geen visie hebben? Wanneer zijn jullie tevreden aan het einde van dit project? Met onderwijskundigen en met het kernteam hebben we onderzoek gedaan naar alles wat al eens bedacht is, maar waar om allerlei redenen niet op is doorgepakt. Verder zoeken we ook naar mooie voorbeelden elders, uit het mbo en hbo, en we leren van hoe Defensie en de Politie hun onderwijs hebben ingericht.”
Wat levert dat rondje langs de velden zoal op?
“Ik had verwacht op veel verschillen te stuiten. Maar ik ontdekte juist veel overeenkomsten. Zo blijken veel regio’s met een visie of een update van die visie bezig te zijn. En iedereen geeft aan behoefte te hebben aan een landelijke visie op onderwijs. Ook blijken de opleidingsinstituten over een aantal zaken al gelijk te denken. Zo vinden zij bijvoorbeeld allemaal praktijkgericht leren belangrijk en willen zij een curriculum en onderwijs dat flexibel is. Maar daarmee zijn we er nog niet. Want wat betekent dat dan vervolgens, ‘onderwijs dat flexibel is’ of ‘praktijkgericht leren’? Daar moeten we verder over in gesprek. Wat zijn dan de verwachtingen? En wat wil de lerende zelf eigenlijk?”
Er zijn ook verschillen. Kun je daar iets over zeggen?
“Dat heeft vaak met de uitgangssituatie te maken. De ene regio heeft alle functionarissen in huis. De ander niet, loopt tegen capaciteitsproblemen aan of is net met een reorganisatie bezig. Als je niet veel opleidingscapaciteit hebt, maar wel veel vrijwilligers die zich melden, dan kan dat heel lastig zijn. Logischerwijs ligt je focus dan niet op een project, maar op de dagelijkse gang van zaken. Ingewikkeld is bovendien dat de functionarissen overal andere benamingen hebben. Van onderwijskundigen tot kennisregisseurs en van specialisten leren en ontwikkelen tot medewerkers vakbekwaam blijven en vakbekwaam worden.”
Wat zijn de vervolgstappen?
“Op 27 mei hebben we een bijeenkomst met alle leidinggevenden en onderwijskundigen van opleidingsinstituten. Doel is tot een aantal kernwaarden voor ons onderwijs te komen. Deze gaan we ook nog eens ordenen qua belangrijkheid. Daarnaast willen we uitgangspunten van ons onderwijs vaststellen en overeenstemming bereiken over wat de bestanddelen van het onderwijsleerproces zijn. Zo heb je altijd een lerende, een docent cq instructeur, maar is er ook sprake van examinering en de rol van de examinator. Ook gaat het bijvoorbeeld over de verhouding tussen formeel en informeel leren. Als vervolg op de bijeenkomst van 27 mei gaan we op 12 juni met alle functionarissen deze bestanddelen verder aanscherpen. Wat zijn die verschillende delen die samen het onderwijsleerproces maken, wat vinden we belangrijk en hoe definiëren we dat? Diezelfde functionarissen gaan datzelfde gesprek daarna ook allemaal uitgebreid in hun eigen regio’s voeren. Groot voordeel is dat we dan ook meteen allemaal dezelfde taal gaan spreken.”

Wat wordt het meest lastig in dit proces?
“Het is belangrijk dat we de keuzes die we gaan maken kunnen loskoppelen van de mogelijke consequenties. Het is verleidelijk om meteen in de operationele modus te schieten. O, dus als we dit doen dan betekent het dat… Het is belangrijk dat we dat juist niet doen. Anders blijven we grotendeels houden wat we al hebben en gaan we niet die passende, vernieuwende visie met elkaar ontwerpen. Ook is het belangrijk dat we recht doen aan de diversiteit van en in de regio’s. Er zullen tempoverschillen zijn en regio’s kunnen verschillende behoeften hebben. Dat is nog best lastig.”
Wat zijn nu al denkrichtingen die veel terugkomen?
“Sowieso is er breed de behoefte om meer regie en eigenaarschap van het leerproces bij de lerende te leggen. Tegelijkertijd is het instapniveau van wie onderwijs gaat volgen heel verschillend. Mensen met een vmbo-opleiding en universitair geschoolden kunnen samen in hetzelfde klaslokaal zitten. Hoe ga je om met die verschillen? Dat kan betekenen dat de een meer eigenaarschap kan nemen dan de ander, en dat betekent weer iets voor de begeleiding van de lerende. Allemaal zaken waar we antwoorden op moeten vinden.”
Wanneer is de visie klaar?
“Nog voor de zomervakantie zullen alle sessies in de regio’s plaatsvinden. Ik verwacht dat we de nieuwe onderwijsvisie 11 juli klaar hebben.”
We werken in het programma Onderwijs Onderweg in etappes en met actieleren zodat we makkelijk kunnen bijsturen. Daarom ligt niet alles van tevoren vast.
Na de ervaring in etappe 2 hebben we aan het begin van etappe 3 besloten om de derde etappe te verlengen en de planning iets aan te passen.
Etappe 3 – 3 februari 2025 t/m 18 september 2025
Etappe 4 – 19 september 2025 t/m 31 december 2025
Bijeenkomsten
Etappebijeenkomst 3 - 18 september 2025
Een gezamenlijk moment om ervaringen uit te wisselen en je mee te nemen in de resultaten van de derde etappe en vooruit te blikken op wat komt in de vierde etappe.
Brandweerevent - 29 & 30 oktober 2025
Kom langs bij onze stand en stel daar al je vragen. We praten je daar ook graag bij. Ook geven we een workshop tijdens het event.
Colofon
Deze digitale uitgave is gemaakt in opdracht van Onderwijs Onderweg.
Redactie
Sven van der Burg, Linda Dekker, Lieke de Geus, Keltoum Laoukili, Richard Post, Eric Went
Vormgeving John Stelck
Techniek Loek Weijts
Vragen en/of opmerkingen?
Mail: onderwijsonderweg@nipv.nl



