Inhoud
Voorwoord
Dit gebeurde er in etappe 5
Samen het opnieuw geordende stelsel inrichten
Van onderwijsvisie naar praktijk
Arbeidsvormen onderwijspersoneel
Waarom is interregionaal overleg onmisbaar?
‘Je ziet het pas als je het doorhebt’
Tweejaarlijkse module mentale weerbaarheid
VBV houdt vinger aan de pols
Colofon
Met veel enthousiasme neem ik sinds 23 april het stokje over als programmadirecteur van Onderwijs Onderweg. Een programma dat midden in de praktijk staat en tegelijkertijd werkt aan iets fundamenteels: goed, toekomstbestendig onderwijs voor brandweer- en crisisprofessionals in de veiligheidsregio’s.
Wat mij direct opvalt, is de energie en betrokkenheid in en rond het programma. Onderwijs Onderweg is geen traject dat ‘ergens’ wordt bedacht, het wordt samen gemaakt. Door mensen uit het veld, voor mensen in het veld. Dat maakt het soms complex, maar vooral ook krachtig.
De komende periode staat voor mij in het teken van verder brengen wat er al staat. De basis is gelegd, de richting is duidelijk. Nu gaat het erom dat we samen de stap maken naar de praktijk: ervaren wat werkt, bijstellen waar nodig en bouwen aan een stelsel dat écht ondersteunt in het dagelijks werk van professionals.
Ik kijk ernaar uit om daarin samen op te trekken met iedereen die bij het programma betrokken is. Met nieuwsgierigheid, openheid en de drive om het elke etappe weer beter te doen.
In dit swipezine lees je waar we nu staan en waar we naartoe werken. En wil je weten wie ik ben en hoe ik naar het programma kijk? Bekijk dan vooral ook de korte video waarin ik mezelf voorstel.
Ik heb er zin in om samen verder te bouwen.
Veel leesplezier!
Dennis van Zanten
Programmadirecteur Onderwijs Onderweg
Etappe 5 was de fase waarin het onderwijsstelsel van papier steeds meer richting praktijk bewoog. Op basis van de notitie ‘Klaar voor sterk samenspel’ die in december is vastgesteld, hebben we een spoorboekje gemaakt. Hierin staat wat er komende tijd aan werkzaamheden moet gebeuren. Het spoorboekje is medio april vastgesteld door het MT NIPV en de RCDV. Dit plan beschrijft hoe het opnieuw geordende onderwijsstelsel stap voor stap wordt ingevoerd.
Leren door te doen
Etappe 5 draaide niet alleen om plannen. Juist in de praktijk is veel geleerd. Zo is met de pilot rond de bijscholingsmodule mentale weerbaarheid onderzocht hoe nieuwe thema’s hun weg vinden naar opleidingen en functies, zoals manschap en bevelvoerder. Daarnaast is gewerkt aan vraagstukken die direct raken aan de dagelijkse praktijk. Denk aan de inventarisatie van aanstellingsvormen van instructeurs, die heeft geleid tot een concreet advies richting het netwerk HR. En aan het verkennen van behoeften uit de beroepspraktijk, zoals soft skills en leiderschap (met digitale fitheid als mogelijk pilotthema).
Samen bouwen aan het stelsel
Ook op het vlak van samenwerking en organisatie zijn stappen gezet. Zo is het overleg van opleidingsinstituten ingericht en wordt gewerkt aan een gezamenlijke ambitie voor intensievere samenwerking in een alliantie. De etappe werd op 16 april afgesloten met het Onderwijsfestival, een moment om samen terug te kijken, maar vooral ook om het opnieuw geordende onderwijsstelsel eens te doorleven.
Op naar de uitvoering
Met etappe 6 verschuift de nadruk naar de uitvoering en inrichting. We starten met de inrichtingswerkzaamheden zoals benoemd in het spoorboekje, die nu verder worden uitgewerkt en in gang gezet binnen het opnieuw geordende onderwijsstelsel. De samenwerking tussen opleidingsinstituten wordt verder verdiept richting een mogelijke alliantie. Het functiestelsel wordt verder uitgewerkt en ingebed in de besluitvorming, en binnen verschillende vakraden worden functiecommissies opgezet en getest in de praktijk. Tegelijkertijd worden ook minder zichtbare, maar cruciale thema’s opgepakt, zoals de vereenvoudiging van financiering en vraagstukken rondom governance.
Een aantal projecten uit etappe 5 krijgt in etappe 6 ook een vervolg. Zo wordt de pilot rond examinering verder uitgewerkt, met als doel meer uitvoerende taken bij opleidingsinstituten te beleggen. Ook wordt verder gewerkt aan de uitwerking van de opleidings- en examenvisie. Daarnaast krijgt het duikonderwijs een vervolg, waarbij wordt gekeken hoe dit specialistische onderwijs beter kan aansluiten op de nieuw bedachte structuur en verantwoordelijkheidsverdeling.
Etappe 6 wordt daarmee de fase waarin we niet alleen gezamenlijk projecten uitvoeren, maar waarin we met de spelers samen starten met het inrichten van het opnieuw geordende onderwijsstelsel.
Onderwijs Onderweg werkt aan een opnieuw geordend onderwijsstelsel voor veiligheidsregio’s. Het doel: praktijkgericht, flexibel en actueel onderwijs voor brandweer- en crisisprofessionals, met betere aansluiting op de praktijk. In de notitie ‘Klaar voor sterk samenspel’ hebben we inzichtelijk gemaakt wie wat doet (de opstelling). Nu is de fase van verdere uitvoering aangebroken. Dat doen we met een routekaart: het ‘Spoorboekje inrichting onderwijsstelsel veiligheidsregio’s’. Hoe komen we bij ons eindstation?
Voordat we het spoorboekje verder toelichten, nog even terug naar de aanleiding voor dit programma. Uit onderzoek (2023) bleek dat het eerder bedachte onderwijsstelsel voor veiligheidsregio’s goede bouwstenen omvatte, maar moest versterken in samenhang en samenspel. Er was sprake van rolonduidelijkheid en rolverwarring, overlap en op onderdelen een gebrek aan organisatie. Daardoor sluit het onderwijs nog onvoldoende aan op ontwikkelingen in de beroepspraktijk.
Drie speellinies
Met de notitie ‘Klaar voor sterk samenspel’
- de beroepspraktijk, gevormd door vakraden en functiecommissies;
- de verbinding tussen de beroepspraktijk en onderwijspraktijk, vormgegeven door de Werkveldadviescommissie (WVA);
- de onderwijspraktijk, gevormd door opleidingsinstituten, een centrale examencommissie met subcommissies en onafhankelijke accreditatie.
Vijf sporen
Ons spoorboekje beschrijft wat er moet gebeuren om met deze opstelling te gaan spelen. We hebben veel werk te doen, waarbij we onderscheid maken in vijf sporen:
- Spoor blauw: werkzaamheden in de beroepspraktijk
De vakraden gaan functiecommissies inrichten om de vraag uit de beroepspraktijk te helpen formuleren. Ook het beheer van het functiestelsel en de besluitvorming over functies moet goed worden ingericht.
Belangrijke werkzaamheden: ordenen functies, instellen functiecommissies, vaststellen proces vraag beroepspraktijk, bestuurlijk vaststellen landelijk functiestelsel. - Spoor groen: de aansluiting tussen beroepspraktijk en onderwijspraktijk (vooraf)
In het opnieuw geordende stelsel krijgt de WVA een cruciale positie als schakelorganisatie tussen beroeps - en onderwijspraktijk. De samenstelling van de WVA wordt aangepast, zodat deze aansluit op deze nieuwe taakstelling.
Belangrijke werkzaamheden: Ontwikkelen meerjarige agenda WVA, aanpassen processen WVA, heroverwegen format kwalificatiedossiers (KD), instellen KD-kernteam, KD-werkgroepen en omvormen clusterwerkgroepen en expertteams. - Spoor oranje: werkzaamheden in de onderwijspraktijk
Dit spoor zorgt ervoor dat opleidingsinstituten gezamenlijk (in een alliantie) regie voeren op onderwijsontwikkeling en onderwijsuitvoering, dat de kwaliteit van toetsing en examinering geborgd is, en dat er voldoende samenhang en afstemming is tussen de verschillende opleidingsinstituten.
Belangrijke werkzaamheden: ontwikkelen samenwerking opleidingsinstituten, inrichten curriculumcommissies en uitwerken opleidings/examenvisie en proces onderwijsontwikkeling, inrichten centrale examencommissie en borgen kwaliteit toetsing en examinering, inrichten onafhankelijke accreditatie opleidingsinstituten. - Spoor lichtblauw: de aansluiting tussen onderwijspraktijk en beroepspraktijk (achteraf)
Hoe creëren we een kwaliteitscultuur, waarin leren en verbeteren centraal staan, en waarmee we blijvend toetsen of het onderwijs aansluit op de praktijk?
Belangrijke werkzaamheden: ontwikkelen gedachtegoed en evaluatiesystematiek, uitvoeren pilot functie-evaluatie. - Spoor rood: stelsel als geheel
Dit spoor zorgt ervoor dat het onderwijsstelsel beschikt over heldere sturingslijnen, dat de bekostiging op orde is, dat de kwaliteit geborgd wordt en dat het samenspel gemonitord en gestimuleerd wordt.
Belangrijke werkzaamheden: bestuurlijk vaststellen onderwijsstelsel en borging in wet- en regelgeving, instellen Onderwijsraad veiligheidsregio’s, uitwerken governance en bekostiging onderwijsstelsel.
De werkzaamheden verrichten we nadrukkelijk met de spelers zelf. Onderwijs Onderweg gaat verder met de huidige werkwijze met interactieve etappes, waarbij we ruimte creëren om te experimenteren, inzichten op te doen en hiervan te leren. Zo faciliteren we de transitie van het huidige naar het opnieuw geordende onderwijsstelsel.
Lees het complete spoorboekje
Wil je meer weten over het ‘Spoorboekje inrichting onderwijsstelsel veiligheidsregio’s’? Download dan de complete notitie. Hierin vind je onder meer de verdere uitwerking van de vijf sporen.
In de etappes 2 en 3 werkte het programma Onderwijs Onderweg aan een gezamenlijke onderwijsvisie voor alle opleidingsinstituten. Deze visie ligt er nu. Maar hoe vertalen we die naar een opleidings- en examenvisie en een procesontwerp voor brandweerprofessionals en professionals in de crisisbeheersing? Met die vraag gaat onderwijskundige Ria Zwart aan de slag. Ria doet dit overigens niet alleen. Samen met een kernteam van acht onderwijsprofessionals en in nauwe afstemming met stakeholders bouwen zij stap voor stap aan een gedragen resultaat.
De opdracht is helder: vertaal de bestaande onderwijsvisie naar een gedragen opleidings- en examenvisie voor brandweer (onder)officieren en crisisbeheersing. Ontwikkel op basis daarvan een concreet, uitvoerbaar, efficiënt en effectief proces voor het ontwikkelen van onderwijs, toetsen en examineren voor álle opleidingsinstituten.
Het doel is dat we straks beter kunnen sturen op ontwikkeling, kwaliteit en wendbaarheid van het onderwijs, én op toetsen en examineren. Ook moet duidelijk worden wat dit betekent voor de uitvoering, passend bij de huidige onderwijsvisie. De ambitie? Praktijkgericht, flexibel en up-to-date onderwijs.
De redactie sprak Ria over deze opdracht. Hoe pakt zij het aan en wanneer zijn er resultaten?
Wat gaan jullie uiteindelijk opleveren?
“We ontwikkelen een opleidingsvisie, een examenvisie en een procesontwerp voor de verschillende doelgroepen. Daarnaast wordt een leidraad leeruitkomsten opgeleverd, een praktisch hulpmiddel. Daarin staat wat leeruitkomsten zijn en hoe je deze kunt ontwikkelen en borgen.”
Hoe pak je dat aan?
“De opdracht vraagt om een ontwerpmatige en iteratieve aanpak, met co-creatiesessies en feedbackrondes. We weten waar we naartoe willen, maar nog niet precies hoe de weg ernaartoe eruitziet.”
In welke fase zit je nu?
“We zitten in de startfase; we werken nu aan de eerste contouren van de opleidingsvisie en examenvisie en het formuleren van ontwerpprincipes. Het scherp krijgen van de doelgroepen is hierbij cruciaal.”
Hoe ga je daarna verder?
“Het concept leggen we voor aan een klankbordgroep met sleutelfiguren uit het veld. Ook raadpleegt het kernteam de eigen organisatie of geleding. Dat vergroot het draagvlak gedurende het proces. Voor de zomer willen we een eerste gedragen concept klaar hebben. Na de zomer gaan we dat verder aanscherpen.”
Wat is de grootste uitdaging?
“De kernvraag is: hoe ambitieus kunnen we zijn én tegelijkertijd toch realistisch blijven? Wat is haalbaar, uitvoerbaar, betaalbaar en organiseerbaar? Het succes vraagt om gedeelde beelden, voldoende expertise, middelen en tijd.”
Heb je al iets geleerd?
“Werken in deze context, met zoveel betrokken professionals, is inspirerend. De betrokkenheid is groot, de samenwerking is constructief. Dat geeft vertrouwen.”
Wat betekent de Wet DBA voor het onderwijspersoneel van brandweer en crisisbeheersing? Welke verschillende arbeidsvormen hanteren de opleidingsinstituten eigenlijk? En wat is de invloed van die verschillen op de werving van onderwijspersoneel en de kwaliteit van de opleidingen? Onderwijs Onderweg zocht het uit.
“Er bestaan bij de opleidingsinstituten al langer twijfels over de rechtmatigheid van arbeidsvormen voor het onderwijspersoneel”, vertelt projectleider Michel Jonkers. “De Wet DBA heeft die twijfels verder versterkt. Er worden namelijk veel zzp-constructies gebruikt. Is er sprake van schijnzelfstandigheid? En wat zijn de risico’s?”
Vijf rechtsvormen
Met behulp van vragenlijsten en interviews maakte Michel een inventarisatie van de arbeidsvormen die opleidingsinstituten hanteren voor de functies van instructeur, docent, examinator en ondersteuner. Jurist Marloes van der Meulen, gespecialiseerd in arbeidsrecht, stelde vast dat het brandweeronderwijs landelijk in vijf verschillende rechtsvormen is georganiseerd en dat binnen die vijf rechtsvormen ook nog eens acht verschillende arbeidsvormen worden gehanteerd mét verschillende arbeidsvoorwaarden.
Een andere conclusie luidt dat de verschillen in arbeidsvormen onbedoelde concurrentie tussen opleidingsinstituten in de hand werkt. Het onderwijspersoneel kan kiezen voor het instituut met de hoogste beloning. Sommige opleidingsinstituten – en ook het NIPV – ervaren dat het soms lastig is om personeel te werven. Een beperkte beschikbaarheid aan onderwijspersoneel kan ertoe leiden dat opleidingen niet op tijd kunnen starten. Een ander gevolg van de verschillende arbeidsvormen is dat er weinig uniforme eisen kunnen worden gesteld aan onderwijskwaliteit, zoals bijvoorbeeld het volgen van bijscholing.
Duurder uit
“De risico’s op juridisch gebied kwamen wel binnen”, blikt Marloes terug op de presentatie van de bevindingen. “Betrokkenen waren blij met het schematische overzicht. Onze inhoudelijke conclusies over concurrentie en kwaliteit vragen om nader onderzoek.” Michel: “Afgesproken is dat dit zijn plek krijgt in het project ‘Verkenning samenwerking alliantie’ dat momenteel ook binnen Onderwijs Onderweg van start is gegaan.”
Vanuit de opleidingsinstituten kwam het verzoek om na te denken over mogelijk te hanteren arbeidsvormen. Vanuit die vraag zijn oproepovereenkomsten onder de aandacht gebracht en is de mogelijkheid van vrijwilligersovereenkomsten nader onderzocht. Marloes: “Een vrijwilligersovereenkomst lijkt niet direct passend voor onderwijspersoneel. Het personeel wordt namelijk goed betaald en onderwijs verzorgen is geen repressieve taak. Er blijven dus nog steeds risico’s aan verbonden. Bij oproepovereenkomsten is dit niet het geval. Deze sluiten beter aan bij wetgeving, de reeds geboden marktconforme vergoeding, de kwaliteitseisen en de opkomstplicht die instituten aan personeel kunnen stellen. Verder zou detachering nog een mogelijkheid kunnen zijn.”
Vruchten plukken
Het is aan de Vakraad Bedrijfsvoering om zich te buigen over de praktische inpasbaarheid van deze aanbeveling. “Wij hebben nu als eerste de kluwen wol ontward en daar een helder en bruikbaar overzicht van gemaakt”, zegt Marloes. “Hopelijk kunnen in de verdere uitvoering de vruchten worden geplukt.” Michel: “Het voornaamste winstpunt is dat we voor extra bewustwording hebben gezorgd. Hoe brandweeronderwijs nu is georganiseerd, kan uniformer. Gelukkig merk ik dat er nu al vaker over de regiogrenzen heen wordt gekeken naar de gedeelde belangen. Het onderwerp staat op de kaart!”
Het brandweeronderwijs staat op een kantelpunt. In alle regio’s en het NIPV wordt gewerkt aan vernieuwing, maar juist die veelheid aan initiatieven maakt één ding duidelijk: zonder stevige interregionale samenwerking komt het systeem niet verder. En juist het overleg daarover is sinds kort van start gegaan.
“Er gebeurt veel, maar het is nog te versnipperd”, zegt Herry Ester, directeur van BOGO en voorzitter van het nieuwe onlangs gestarte overleg van opleidingsinstituten. “Als iedereen vanuit zijn eigen regio blijft ontwikkelen, mis je samenhang en uiteindelijk ook kwaliteit. Rolduidelijkheid en rolvastheid gaan ons daarbij helpen.”
Die analyse wordt gedeeld door Monique van Beek, voormalig voorzitter van het Landelijk Overleg Brandweeropleidingen (LOBO), de ‘voorloper’ van het nieuwe interregionale overleg en nu directeur van Brandweerschool Noord-Holland. “Samenwerking is geen keuze meer”, stelt zij. “De vraagstukken zijn te groot en te complex om alleen op te lossen.”
Waarom samenwerking noodzakelijk is

De noodzaak voor interregionaal overleg zit vooral in de inhoud. Thema’s als examinering, instroom en de doorontwikkeling van opleidingen spelen overal en vragen om eenduidige oplossingen. “Je kunt examinering niet per regio anders organiseren”, zegt Monique. “Dat vraagt om gezamenlijke standaarden en afspraken.” Daarnaast speelt efficiëntie een rol. Door samen te ontwikkelen, kunnen regio’s sneller stappen zetten en beter gebruikmaken van elkaars kennis en ervaring. Herry: “Het gaat erom dat we het wiel niet overal opnieuw uitvinden, maar dat we bouwen aan één samenhangend systeem.”
Tegelijkertijd is samenwerking niet vanzelfsprekend. In de praktijk schuurt het op meerdere punten. Er was bijvoorbeeld onduidelijkheid over wie waarover gaat, overlegstructuren lopen door elkaar en regio’s hebben verschillende belangen en tempo’s. Dat maakt het lastig om tot gezamenlijke besluiten te komen. “Het risico is dat iedereen vanuit de eigen praktijk blijft redeneren”, zegt Monique. “Dan blijf je hangen in goede bedoelingen, maar zet je geen echte stappen.” Ook Herry benadrukt dat punt. Volgens hem vraagt samenwerking om bereidheid om over de eigen grenzen heen te kijken. “Je moet soms iets loslaten om samen verder te komen. Verder vraagt het om betrokkenheid, om het besef dat we het samen doen en er moet voldoende formatie geregeld zijn: we kunnen dit er niet even bij doen.”
Van praten naar doen

De sleutel ligt volgens beiden in het versterken van duidelijkheid over rollen, verantwoordelijkheden en besluitvorming. “Er moet een plek zijn waar knopen worden doorgehakt”, zegt Herry.” Monique vult aan: “Het gaat er niet alleen om dát we samenwerken, maar ook hóe. Gelijkwaardigheid is belangrijk, maar uiteindelijk moet er wel voortgang zijn.” Daarbij hoort ook een meer praktische benadering. Minder overleg om het overleg, meer focus op concrete resultaten.
Juist in die gezamenlijke aanpak liggen grote kansen. Door interregionaal samen te werken, kan het onderwijs beter aansluiten op de praktijk en ontstaat meer kwaliteit en consistentie. Monique ziet vooral winst in gezamenlijke ontwikkeling van leerlijnen en examinering. “Dat maakt het onderwijs sterker én duidelijker voor iedereen.” Herry benadrukt dat het overleg ook helpt om sneller te vernieuwen. “Als je het samen doet, kun je tempo maken en elkaar versterken. Er gebeuren zoveel mooie dingen in de regio’s, maar vaak weten we dat niet van elkaar.”
Ambities
De ambitie voor de komende periode is helder: we gaan van losse initiatieven naar een samenhangend geheel. Herry: “Hoe mooi is het als we straks samen een landelijke ambitie kunnen neerleggen op het gebied van scholing? Over een jaar moet wat hem betreft zichtbaar zijn dat de overlegstructuur werkt en dat rollen en verantwoordelijkheden duidelijk zijn. “Ik hoop dat er dan concrete stappen zijn gezet, bijvoorbeeld in examinering en dat regio’s daadwerkelijk samen ontwikkelen”, vult Monique aan.
“Het hoeft niet perfect”, besluit Monique. “Maar het moet wel merkbaar zijn dat we samen vooruitgaan. En laten we vooral ook ruimte bieden om onzekerheid en problemen op tafel te blijven leggen.” Herry sluit zich daarbij aan: “De stap die we nu moeten zetten, is van overleg naar gezamenlijke sturing. Dán krijgt het brandweeronderwijs echt de kwaliteit en samenhang die nodig is.”
Wat is nodig om het ontwerp van het opnieuw geordende onderwijsstelsel werkend te krijgen in de praktijk? Het ‘Spoorboekje inrichting onderwijsstelsel veiligheidsregio’s’ biedt kaders voor de verdere route. Enkele nauw betrokken portefeuillehouders van de Vakraad Risico- en crisisbeheersing lazen mee en gaven feedback. Zij realiseerden zich: om een betere inschatting te maken over wat er nog moet gebeuren, zou het goed zijn om het ontwerp van het stelsel en het beoogde samenspel echt te ervaren. Zo ontstond het idee voor een ‘doorleefsessie stelsel en samenspel’.
De vakraadleden puzzelden met het opnieuw geordende onderwijsstelsel. Welke spelers zijn er? Hoe verhouden zij zich tot elkaar? Hoe komen we binnen het voorgestelde onderwijsstelsel van de vraag uit de beroepspraktijk tot een passend onderwijsaanbod? Selma van der Haar begeleidde de sessie vanuit het programma Onderwijs Onderweg. “Op papier kan het er logisch uitzien, maar hoe werkt het écht? Zeker gezien de dynamiek met veel verschillende spelers en het samenspel tussen die spelers is het zinvol om dat in gesprek met elkaar door te nemen.” Om daar een wijsheid van Johan Cruijff aan toe te voegen: “Je ziet het pas als je het doorhebt.”
Het stelsel beredeneren
Onderwijs Onderweg ontwikkelde de onderwijscirkel voor brandweer en crisisbeheersing en stelde de notitie ‘Klaar voor sterk samenspel’ op over de diverse spelers en hun rollen in het stelsel. Selma: “Om dit geheel tot leven te brengen, hebben we de kern uit de samenspelnotitie gehaald: de opgaven, de spelers en hun taken en de ideale route door het stelsel. Die kern hebben we letterlijk in stukken geknipt. De vakraadleden legden vervolgens met elkaar de puzzel. Zo konden we de rol- en taakverdeling binnen het stelsel beredeneren. Zit er logica in? Hoe zit het met opdrachtgevers en opdrachtnemers? Wie krijgen wanneer met elkaar te maken en wat vragen die samenwerkingen van ons? Door er zo mee aan de slag te gaan ontstaat er meer bewustwording en een gedeeld beeld over de spelers, de opstelling en het beoogde samenspel.”
Met het vernieuwde onderwijsstelsel en het samenspel borgen we dat onderwijs aansluit bij de praktijk. “Als docent of instructeur wil je onderwijs geven dat deelnemers echt goed toerust voor hun taak in de praktijk”, aldus Selma. “Als jij als deelnemer investeert in een opleiding, wil je iets leren waar je wat aan hebt. Niet dat je na je opleiding in de praktijk te horen krijgt: zo doen we dat hier niet. Daarom is het zo belangrijk dat de regie voor het onderwijs bij de beroepspraktijk ligt. Als de beroepspraktijk niet duidelijk aangeeft wat het wil, krijgt het ook niet het onderwijs dat nodig is.”
De basis leren kennen
Om de route door het stelsel te verkennen gebruikten de vakraadleden een fictieve casus: uit onderzoek blijkt dat het voor functie x een verschil maakt om een gele emmer te gebruiken. Hoe zorgen we er dan voor dat die gele emmer in het onderwijs terechtkomt? Selma: “We gebruiken bewust geen bestaande casus, want voor je het weet gaat het dan over de inhoud in plaats van de werking van het stelsel. Tijdens de sessie willen we de basis helder op het netvlies krijgen. Als je de basis kent, ben je je er ook meer van bewust als je daarvan afwijkt. Dan ga je niet improviseren, maar maak je afgewogen keuzes. Hebben we het over vakbekwaam worden of over vakbekwaam blijven? Willen we eerst een bijscholing of gaan we gelijk de opleiding aanpassen?”
Selma kijkt positief terug op de eerste ‘doorleefsessie’. “Met elkaar maken we inzichtelijk wat duidelijk is en werkt en waar we nog ontwikkelwerk te doen hebben. De interactieve werkwijze past bij het programma, waarin we in de verschillende etappes en via concrete projecten uitzoeken hoe het stelsel en samenspel kan werken. We leren hier zelf ook weer van. Zo bespraken we bijvoorbeeld dat we bij een evaluatie van één functie in het onderwijsstelsel óók de interactie met andere functies moeten meenemen. Of een functie daadwerkelijk uit de verf komt, hangt samen met diverse factoren. Dit onderwerp pakken we op in een volgende etappe.”
Onderwijs Onderweg heeft een voorstel uitgewerkt voor een landelijke (bijscholings)module Mentale Weerbaarheid. De kern: in de toekomst volgen manschappen en bevelvoerders eens per twee jaar een lesprogramma over dit onderwerp. Zo ontstaat meer landelijke uniformiteit én wordt het thema beter geborgd in het onderwijsstelsel van de veiligheidsregio’s.
Bij de meeste veiligheidsregio’s is er groeiende aandacht voor het welzijn van medewerkers. Het was dan ook geen verrassing dat het thema mentale weerbaarheid een gespreksonderwerp werd toen Onderwijs Onderweg de vraag uit de beroepspraktijk ophaalde voor de opleiding Manschap. Al snel bleek dat mentale weerbaarheid niet alleen belangrijk is voor nieuwe manschappen (vakbekwaam worden), maar ook voor bestaande manschappen (vakbekwaam blijven). Vandaar het project om te onderzoeken wat de behoeftes zijn voor een bijscholingsmodule Mentale Weerbaarheid.
Avondbijeenkomsten
De afgelopen maanden heeft Onderwijs Onderweg de vraag uit de beroepspraktijk opgehaald voor een dergelijke bijscholingsmodule. Er is gesproken met medewerkers van veiligheidsregio’s die zich bezighouden met het thema mentale weerbaarheid, er zijn deskundigen over dit onderwerp geraadpleegd en er hebben avondbijeenkomsten voor geïnteresseerden plaatsgevonden in zes districten. Al deze input is verwerkt in een rapportage.
Een van belangrijkste bevindingen is dat er een breed draagvlak is voor een bijscholingsmodule. Het belang wordt gezien, ook vanuit het oogpunt dat tijdens oorspronkelijke opleidingen vaak weinig aandacht was voor mentale weerbaarheid. Er is behoefte aan kennis over het thema en praktische handvatten om die kennis toe te passen. Daarnaast worden twee belangrijke randvoorwaarden aangestipt: een veilige cultuur binnen kazernes én docenten die in staat zijn een setting te creëren waarbij de deelnemers zich openstellen voor dit onderwerp, het liefst vanuit een praktijkgerichte aanpak.
Vertrouwde omgeving
In de rapportage wordt voorgesteld om manschappen en bevelvoerders eens per twee jaar een bijscholingsmodule te laten volgen, verdeeld over een tweetal sessies. Dat zouden fysieke bijeenkomsten moeten zijn, bij voorkeur in de vertrouwde omgeving van de eigen kazerne. De inhoud bestaat uit een vaste basis en een variabel deel. Onderwerpen die aan bod zouden moeten komen: brede uitleg over het thema mentale weerbaarheid en in het bijzonder PTSS, het delen van ervaringen, de reacties van het menselijk lichaam op stress (hoe je daarmee omgaat en jezelf kunt leren kennen), uitleg en werking van Team Collegiale Ondersteuning (TCO) en voorlichting over mogelijkheden voor extra hulp.
“De bijeenkomsten en gesprekken gaven een goed beeld van wat er speelt”, blikt projectleider Alex van Schaik terug op het proces. “De conclusie is dat de kijk op het thema mentale weerbaarheid in alle regio’s vrijwel hetzelfde is. We gaan nu toetsen of we het landelijk eens zijn over de vraag uit de beroepspraktijk en de bevindingen uit het rapport. Daarna volgt een eventuele aanpassing van het kwalificatiedossier, zodat we de bijscholingsmodule daarin borgen. Pas dan volgt de daadwerkelijke ontwikkeling van de module door het NIPV en overige deskundigen, in samenwerking met de opleidingsinstituten. Hopelijk hebben we dan volgend jaar een mooi resultaat bereikt met behulp van ieders inbreng.”
Meer weten?
Lees het artikel waarin twee deelnemers terugblikken op de avondbijeenkomsten over mentale weerbaarheid.
Onderwijs Onderweg werkt aan een nieuw onderwijsstelsel. Aan tafel zitten veel partijen. Jack Kusters, Ronald Kraan en Ton van der Vossen van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV) spreken voor de grootste groep in dat systeem: de vrijwilligers. “Wij zitten niet alleen aan tafel voor de structuur”, zegt Jack. “Wij zitten hier heel nadrukkelijk ook voor de mensen.”
De gesprekken gaan vaak over landelijke lijnen, governance en structuur. Nodig, erkennen ze. Maar tegelijk zien ze iets anders gebeuren. Ronald: “We hebben het veel over hoe het eruit moet zien. Maar minder over hoe het werkt in de praktijk.” Jack: “Je kunt dit niet van bovenaf bedenken en denken dat het dan vanzelf landt. Zo werkt het niet bij vrijwilligers.”
Veel beleidsmedewerkers gaan er bijvoorbeeld vanuit dat vrijwilligers in staat zijn om zomaar even een cursus, opleiding of bijscholing te volgen. Ronald: “Maar een vrijwilliger doet dat in zijn vrije tijd. Wat betekent dat voor ons stelsel? Voor hoe wij onderwijs aanbieden? Dat is soms puzzelwerk.”
Daar komt bij dat vrijwilligers vaak jarenlang in de schoolbanken zitten, maar daar in hun beroep weinig mee kunnen. “Kennis vertaalt zich voor beroeps naar meer carrièremogelijkheden of extra salariëring. Maar voor vrijwilligers werkt dat niet zo.”
Permanente plek
Volgens hen zit daar het risico. Een goed bedacht systeem dat te ver af staat van de werkelijkheid van de mensen die het moeten uitvoeren. “Vrijwilligers doen dit naast hun hoofdberoep”, zegt Ronald. “Als je daar geen rekening mee houdt, loopt het vast.” Jack: “De vertaalslag van alles wat bedacht wordt en wat dat betekent voor mensen met hun voeten in de klei, die wordt niet altijd gemaakt. Daar zijn wij scherp op. Daarom hebben wij permanent een plek aan tafel. Maar wel op een constructieve manier.”
Aan tafel heeft de VBV vooral aandacht gevraagd voor het thema ‘nabijheid’. Ton: “Dat iemand uit Groningen op vrijdag even een cursus in Utrecht moet gaan volgen, dat schiet natuurlijk niet op. Maar ook overdrachtelijk gezien is nabijheid belangrijk. Zo zijn er grote verschillen in instroomniveaus bij vrijwilligers. Onze vrijwilligers zijn mensen met allerlei achtergronden en opleidingen. Dat vraagt om maatwerk.”
Dat geluid is volgens de bestuurders goed opgepakt. Onderwijs Onderweg heeft bovendien nog meer opgeleverd, vinden zij. Jack: “Er is duidelijkheid over de verschillende rollen in het onderwijsstelsel. Dat is goed en gaat ons helpen. Maar er zitten ook nog uitdagingen in het vervolg. Want we gaan nu naar een fase waarin meerdere partijen aan elkaar opdrachten moeten gaan geven. Hoe gaat die opdrachtverstrekking lopen? Van ‘we hebben het erover’ moeten we het nu echt gaan doen.”
‘Niet alles dichtregelen’
Een tweede punt dat ze nog willen maken: verschillen in het veld. Hoe gaan we daar voortaan mee om? Want er zijn grote en kleine korpsen, stedelijk en regionaal, beroeps en vrijwillig. Jack: “We moeten oppassen dat we alles dichttimmeren in één model.” Ronald: “Wat in de ene regio werkt, hoeft in de andere niet te werken.”
Ze pleiten voor ruimte, maar zonder de samenhang te verliezen. “In Noord Holland Noord kennen ze bijvoorbeeld de Expert Brandweerkunde. Als alle 25 regio’s exotische functies bedenken zonder dit met elkaar af te stemmen wordt het ingewikkeld. Afwijken is ok. Maar dat moet wel uitlegbaar zijn.” Wat dat betreft verwacht Jack veel van de werkveldadviescommissie: “Die gaat straks dossiers behandelen van de minister en dossiers aangedragen door de sector. Dat is een belangrijke stap naar meer uniformiteit.”
Landelijke regie
Om het stelsel uiteindelijk ook soepel werkend te krijgen hebben zij nog een advies. Met als centrale oproep: help alle partijen bij het invoeren van de nieuwe werkwijze. Jack: “Het is nu belangrijk dat er landelijke regie komt en blijft. Aan bestuurstafels zijn we het vaak met elkaar eens. Maar in de regio’s, daar moet het nu gaan gebeuren. Dan helpt het als Onderwijs Onderweg daarin actief een coachrol blijft vervullen.”
Over een jaar
De lat ligt wat hen betreft niet bij het nieuwe model op papier, maar bij een zichtbare verandering. Jack: “Over een jaar hoop ik dat we via een pilot hebben leren zwemmen in de werkveldadviescommissie. Ik ben tevreden als we dat proces dan doorlopen en doorleefd hebben. En natuurlijk gaat dat ook briljante mislukkingen opleveren. Maar het uiteindelijke resultaat telt. Ik hoop dat we dat van elkaar accepteren en het daarna anders gaan doen. En dat we de bereidheid houden om het nieuwe stelsel te omarmen, met ons gezamenlijke doel voor ogen.”
Colofon
Deze digitale uitgave is gemaakt in opdracht van Onderwijs Onderweg.
Redactie
Lieke de Geus, Keltoum Laoukili, Richard Post, Eric Went
Vormgeving John Stelck
Techniek Loek Weijts
Video Joep van Emmerik, Red Flame Marketing
Vragen en/of opmerkingen?
Mail: onderwijsonderweg@nipv.nl


