25 september

Lees hier de verslagen van de keynotes en enkele workshops van de eerste congresdag.

Keynote / Parallelsessie:

Sessies:

KEYNOTE
Milio van de Kamp | socioloog

Invloed van armoede en verwach­tingen op school­aanwezig­heid

Reflectie op de keynote van Milio van de Kamp tijdens het Nederlands Congres Schoolaanwezigheid 2025.

De invloed van armoede op aanwezigheid

Wat betekent het om op te groeien in armoede, en welke invloed heeft dat op de manier waarop jongeren aanwezig kunnen zijn op school, letterlijk en figuurlijk? Tijdens zijn keynote op het Congres Schoolaanwezigheid deelde Milio van de Kamp, socioloog, docent van het jaar en auteur van Misschien moet je iets lager mikken, zijn persoonlijke en indringende perspectief op dit thema.

Van de Kamp liet zien hoe armoede veel meer is dan een financieel tekort. Het is, zoals hij het noemt, armoede aan kansen, aan reputatie en aan macht. Wie in armoede leeft, moet voortdurend laten zien dat hij betrouwbaar is: tegenover instanties, scholen en soms zelfs tegenover zichzelf. Juist in dat voortdurende bewijsdrang schuilt een groot risico: vermoeidheid, wantrouwen en uiteindelijk afwezigheid.

De kracht van verwachtingen

Zijn verhaal maakt duidelijk dat lage verwachtingen een bijna onzichtbare barrière vormen in het leven van veel jongeren. Goedbedoelde adviezen als “misschien moet je iets lager denken” kunnen diep ingrijpen in hun zelfbeeld en toekomstvertrouwen. Onderwijsprofessionals spelen hierin een cruciale rol: niet door méér te controleren, maar door onvoorwaardelijk vertrouwen te bieden.

Onvoorwaardelijk vertrouwen in de praktijk

Dat onvoorwaardelijk vertrouwen begint klein: een docent die één verwachting hoger inzet, een mentor die niet vraagt ‘waarom was je er niet?’, maar ‘wat had je nodig om er te kunnen zijn?’.
Van de Kamp pleit voor een verschuiving van wantrouwen naar vertrouwen: niet standaard controleren, maar uitgaan van goede intenties. Dat vraagt ook om ruimte voor professionele nabijheid. Dat docenten en mentoren kunnen handelen vanuit menselijkheid in plaats van protocol. En om het durven verhogen van verwachtingen: juist jongeren die te vaak horen dat ze lager moeten mikken, hebben het nodig dat iemand zegt: ik geloof dat jij dit kunt.

Menselijkheid als uitgangspunt

Wat Van de Kamp benadrukte tijdens zijn keynote, raakt aan een bredere opgave voor scholen en gemeenten: hoe zorgen we ervoor dat beleid en systemen niet bijdragen aan wantrouwen, maar juist helpen om verbinding te herstellen? Zijn verhaal laat zien dat structurele oplossingen pas werken als ze gepaard gaan met menselijkheid, vertrouwen en nabijheid in de dagelijkse praktijk.

De kern van de boodschap

De boodschap van Van de Kamp raakt de kern van het congres: schoolaanwezigheid gaat niet alleen over fysieke aanwezigheid in het lokaal, maar over erkenning, ruimte en vertrouwen. Over systemen die niet uitgaan van schuld, maar van menselijkheid.

Wie zijn verhaal wil nalezen, vindt het terug in zijn boek:
Misschien moet je iets lager mikken

PARALLELSESSIE
Lessen uit Australië en Ierland

Van sector-brede aanpak tot audits

Verspreid over de wereld wordt MD-MTSS ingevoerd. Dat kent een drie­dimensionale benadering van drie niveaus van school­aanwezig­heid. Door data te verzamelen, ontstaat inzicht in trends en risico­factoren. Daarop kan preventief gehandeld worden. In de uitvoering zijn verschillen, zo laat vergelijking met Australië en Ierland zien.

Ierland: sector-brede aanpak

“In Ierland was de situatie dat continu brandjes geblust werden. Er werd gehandeld op problemen”, schetst Amanda Cullen, teamleider voor de implementatie in Ierland. Voor invoering van MD-MTTS werden als eerste een basisschool en een school voor voortgezet onderwijs gekozen waar de school­aanwezig­heid laag was. De aandacht werd er gericht op leiderschap en verantwoordelijk­heid in de hele school. Er werden teamleden gezocht die interesse toonden in de werkwijze en hen rollen gegeven.

De scholen moesten data gaan verzamelen en interpreteren, relaties met leerlingen en ouders opbouwen en (ook kleine) resultaten vieren. Succes ís er: van schooljaar 2023/2024 naar 2024/2025 steeg het aantal jongeren dat een goede schoolaanwezigheid laat zien van 34 naar 47 procent. Daarna zette de stijging zich verder door.
Het Ierse systeem heet ANSEO. Sleutel­woorden zijn: betrokken­heid, team­reflecties, data op orde en minimaal één interventie per laag van MD-MTSS. De scholen moesten ook een plan voor het tweede jaar opstellen, voor continuïteit en doorgroei.

Advertenties

In twee maanden tijd meldden zich 590 Ierse scholen die dit ook wilden. Dat was wat veel. Zestig scholen werden geselecteerd voor training (in totaal deden 415 teamleden mee). Er wordt nu een informatie­management­systeem voor scholen opgezet, contact gelegd met leerplicht­ambtenaren, interventies ontwikkeld voor laag 1 en er komt een analyse van regionale problemen (zoals dakloosheid, armoede, gezondheid).

Een Nationaal Plan tot 2028 voorziet in advertenties op alle media­kanalen en een site die toeganke­lijk is voor iedereen met voorbeelden. “Er moet een community of practice ontstaan”, zegt Amanda. In 2026 zijn 150 scholen aangesloten, is het doel, en eind 2026 alle scholen.

Australië: audit voor maatwerk

“Bij ons werken assimilatie- en kolonisatie­problemen door op school­aanwezig­heid”, schetst Lisa McKay-Brown de Australische situatie. Lisa is associate professor aan de universiteit van Melbourne. De afstanden – Australië heeft de omvang van driekwart Europa – maken implementatie van MD-MTSS lastiger.

Er is gestart met zestien scholen in Zuid-Australië. Die werden gecheckt op geschiktheid. Zo werd er nagegaan of de leraren en de school voldoende capaciteit hadden. De scholen verschilden sterk in populatie, onderwijs­systeem, betrokkenheid van beleidsmakers, termino­logieën, pedagogische omstandig­heden en betrokken­heid van andere partijen. De school­resultaten liepen ook uiteen.

Op een rijtje werd gezet wat nodig was voor implementatie. De scholen kregen daarbij coaching.

Voor implementatie werden vijf stappen gevolgd:

  1. Bureauonderzoek
  2. Onderzoek naar school­aanwezig­heid en MD-MTSS per school
  3. Gesprekken en focusgroepen
  4. Een beoordelings­verslag
  5. Een bijeenkomst waar aanpassingen aan systemen werden gedaan.

Uit de eerste scholen werd geleerd dat het team blijft leren, coaching-sessies helpen, de leertempo’s verschillen, train de trainer nodig is voor uitbreiding en er een online hulpbron moet komen.

Belangrijk onderdeel van de Australische invulling is de audit. In de audit wordt bepaald wat een school aankan, wat de omstandig­heden zijn, wat reële doelen zijn, welke school­strategie gaat werken en de samen­werking met partners en het onder­steunende netwerk. “It’s all about contextuali­sation”, stelt Lisa.

Met oog op budgetten maakt Australië een plan voor de komende twee jaar.

SESSIES
SESSIE
Data en dialoog: slimme strategieën voor minder uitval en betere aanwezigheid

Beter kijken naar signalen in eerste weken

De eerste weken van een opleiding zijn bepalend voor het studiesucces van mbo-studenten. Aanwezigheid, cijfers en motivatie geven al vroeg signalen. Irene Eegdeman, onderzoeker aan ROC van Amsterdam-Flevoland, laat zien hoe data en gesprekken elkaar kunnen versterken om uitval te voorkomen.

Uitval in het mbo blijft een hardnekkig thema, ondanks een daling van het aantal voortijdig school­verlaters in de afgelopen jaren. Nog altijd gaat het om duizenden jongeren die hun opleiding zonder diploma verlaten. “Beleid beschouwt uitval vaak uitsluitend als negatief”, zegt Irene. “Maar soms is het juist een bewuste en goede keuze om over te stappen naar een andere opleiding of baan. Het gaat dus niet alleen om minder uitval, maar vooral om beter begrijpen wie, waarom en wanneer uitvalt.”

Instap­testen blijken daarbij weinig waardevol. Cognitieve capaciteit en persoonlijk­heids­profielen voor­spellen niet of studenten hun opleiding succesvol afronden. Ook verwachtingen bij de start verschillen nauwelijks tussen blijvers en uitvallers. “De verrassing van hoe een opleiding echt is, ervaren ze allemaal”, stelt Irene. “Alleen voor de één is dat reden om te stoppen en voor de ander juist om door te gaan.”

Signalen in eerste weken

Veel meer voor­spellend zijn de eerste cijfers, aanwezigheid en motivatie. Zo liet Irene studenten wekelijks zes korte stellingen invullen over hun motivatie en vertrouwen in de opleiding. “Al in week twee en drie zagen we significante verschillen tussen studenten die later uitvielen en degenen die bleven. Dat betekent dat we niet moeten wachten tot periode één voorbij is om te begeleiden, maar juist heel vroeg contact moeten leggen. Dus niet wachten tot week 9, maar al in week 3 het gesprek aangaan.”

Ook leeftijd speelt een rol: op 18 jaar is er een opvallende sprong in uitval, mede door veranderende wettelijke kaders en keuzeruimte. “Dat maakt 18 een risico­leeftijd”, zegt Irene. “Daar moet je dus alert op zijn.”

Van ‘waarom’ naar ‘wie’

In verschillende pilots is gewerkt met machine learning om op basis van historische data de kans op uitval per student te berekenen. Irene: “Ik ben minder geïnteresseerd in het waarom en meer in het wie. Wie loopt nu het grootste risico? Als je dat weet, kun je als mentor of studie­loopbaan­begeleider je tijd beter verdelen en eerder bij de juiste studenten aan tafel zitten. Dat maakt het verschil tussen te laat signaleren en tijdig onder­steunen.”

Ze voegt daar wel meteen aan toe dat technologie docenten niet vervangt. “Het gaat om onder­steuning. Machine learning kan patronen herkennen, maar het blijft de profes­sional die de inschatting maakt en het gesprek voert.” Betrouwbare data zijn daarbij cruciaal. “Aanwezig­heid is een sterke voorspeller, maar alleen als die consequent en zorgvuldig wordt geregistreerd.”

Gerichter interventies kiezen

Een belangrijk inzicht is dat niet alle uitval dezelfde aanpak vraagt. Sommige studenten vallen uit door omstandig­heden waar een school nauwelijks invloed op heeft, zoals detentie of ernstige thuis­situaties. Anderen maken juist een bewuste overstap naar een andere opleiding of baan.

Daar tussenin liggen de groepen waar wél verschil te maken is: studenten die afhaken door zorg­problemen, motivatie­verlies of een mismatch met het curriculum. “Als je weet welk type uitval in jouw opleiding het meest voorkomt, kun je gerichter inter­venties kiezen”, legt Irene uit. “Bij zorg­problemen helpt het om eerder signalen op te vangen en door te verwijzen. Bij een curriculum-mismatch moet je kijken naar roosters, binding en de manier waarop je studenten in die cruciale eerste weken meeneemt.”

Data én dialoog

Volgens Irene is het de combinatie die werkt: data geven richting, maar het gesprek met de student blijft onmisbaar. “We moeten het gesprek voeren, luisteren en de context meenemen. Data vertellen je wie risico loopt, maar pas in dialoog ontdek je wat er echt speelt.”

Ze besluit met een oproep: “Laten we niet alleen praten over minder uitval, maar over meer aanwezigheid, meer motivatie en meer studenten die zich gezien voelen. Uit­eindelijk gaat het erom dat jongeren zich verbonden weten met hun opleiding en perspectief zien. Als we daar in de eerste weken tijd en aandacht voor hebben, winnen we allemaal.”

Typologie van uitvallers

Uitval kent verschillende vormen en vraagt om verschillende reacties. Irene onderscheidt vier typen:

1. Niet-beïnvloedbaar
Studenten die uitvallen door omstandig­heden waar een school nauwelijks invloed op heeft, zoals detentie of ingrijpende thuis­situaties.

2. Bewuste overstappers
Studenten die weloverwogen kiezen voor een andere opleiding of baan. Voor hen is uitval een positieve stap, al telt het formeel wel mee in de cijfers.

3. Zorg-gedreven uitval
Studenten die afhaken door financiële, psychische of sociale problemen. Hier kan vroeg-signalering en door­verwijzing veel verschil maken.

4. Mismatch en motivatieverlies
Studenten die vastlopen door roosters, curriculum of gebrek aan binding. Dit vraagt om verbeteringen in organisatie en begeleiding, vooral in de eerste weken.

SESSIE
Digitaal afstands­onderwijs als onderdeel van passend onderwijs

Een cruciaal lijntje met school tegen uitval

In coronatijd heeft elk kind digitaal onderwijs ervaren. Voor een groep is het zonder pandemie een voorwaarde om onderwijs te kunnen volgen. Anders dreigen ze uit te vallen of – als ze zijn uitgevallen – zijn ze verstoken van onderwijs. Het actieplan Digitale School stimuleert het en biedt hand­vatten hoe ermee om te gaan. Ondanks onbekendheid en bedenkingen in het veld staat het recht op onderwijs voor elk kind voorop.

Digitale School is een project van het ministerie van OCW en Kennisnet. Het actieplan van drie jaar moet uitvallers weer terug in het onderwijs krijgen en dreigende uitvallers betrokken houden bij onderwijs. Digitaal afstands­onderwijs moet onderdeel worden van passend onderwijs en hiervoor moet dekkende wetgeving komen. Met ervaringen uit praktijk­onderzoek kan dit onderwijs verder ontwikkeld worden.

Niet ingewikkeld

Zestien coalities zijn nu aangesloten, met elk daarin twee scholen/­stichtingen en een samen­werkings­verband. Zij worden ontwikkeld tot ‘expertise­centra digitaal afstands­onderwijs’. Ze kunnen dan andere scholen helpen. Het actieplan ondersteunt de coalities.
Voor een proef zijn bijvoorbeeld kinderen geselecteerd die één keer per week niet naar school gaan (wegens prikkels of afstand), die op bijvoorbeeld een zorg­boerderij komen en toch onderwijs willen volgen, en kinderen die een speciale voorziening hebben.

“Digitaal afstands­onderwijs is echt niet zo ingewikkeld”, verzekert Ellen Ros, project­adviseur Digitaal Onderwijs. “Volg gewoon de stappen die je moet doen en voldoe aan wat de leerling nodig heeft.” Het gaat immers om maatwerk.

Belangrijk is de acceptatie dat een groep leerlingen het echt niet lukt naar school te gaan. Via digitaal onderwijs blijven ze aan­gehaakt, wordt uitval voorkomen of ze zijn uitgevallen en kunnen zich zo toch ontwikkelen. Anders dan in gespeciali­seerd onderwijs staan in regulier onderwijs de drie doel­domeinen (kwalificatie, socialisatie en persoons­vorming) minder scherp op het vizier, waardoor er meer onbekend­heid en schroom is.

Stappen

“Eerste stap is dat je gaat luisteren en begrijpen, dat je niet met een plan komt”, stippelt Ellen uit. “Het kind tevoor­schijn luisteren, noem ik het ook wel.” Dat vraagt een open mind en niet: ‘dat mag niet’.

Bij het opstellen van een plan kijk je ook naar de voor­waarden, bijvoorbeeld of er überhaupt een computer voor het kind is en goede wifi. Ellen: “Daarvoor heb je geen ingewikkeld programma nodig, met Teams kom je al ver.” Vervolgens komt de uitvoering. “In een start­gesprek stem je verwachtingen af.” Je blijft het volgen, begeleiden en bijsturen.

Tijdens de evaluatie zijn het welbevinden en socialisatie van het kind toetsstenen. Ook wordt dan het vervolg afgesproken.

Digitaal onderwijs is voor elk niveau mogelijk, vanaf de peuters al. Lastiger is het voor het praktijk­onderwijs. Ellen: “Probeer het echter gewoon. Het kind is dan in ieder geval verbonden met school.”

Bekostiging van middelen en begeleiding kan – zoals in Zeeland is afgesproken binnen het samen­werkings­verband – via de stamschool die aan de gastschool betaalt.

Geld geen belemmering

In Duitsland is digitaal afstands­onderwijs bij wet geregeld, in Nederland is er veel onduide­lijkheid over: mag het, wie betaalt het? Ellen: “Bij wet heeft elk kind recht op onderwijs. Geld kán geen belemmering zijn.” Een school kan bang zijn voor een aanzuigende werking. “Omdat er niets anders is”, weet Ellen. “Een kind krijgt het echter niet zomaar. Een toelatings­commissie toetst het of misschien toch een TLV (toelatings­verklaring, red.) en speciaal onderwijs nodig is.”

Onderwijs buiten school staat nog op gespannen voet met het de regel dat in het OPP (ontwikkelings­perspectief) ‘terugkeer naar school’ als doel wordt opgenomen. Op digitaal afstands­onderwijs is ook geen toezicht vereist. Alter­natief is echter dat deze kinderen een vrij­stelling krijgen, geen onderwijs meer volgen en minder kansen hebben op een carrière.

SESSIE
Op expeditie: van droom naar aanwezigheid

Reisplan naar invoering van school­aanwezig­heids­model

In Rotterdam hebben ze MD-MTSS in de lokale praktijk ingevoerd. Daarbij geholpen door Patricia Graczyk. Ze besloten het niet alleen te doen, maar enthousiast geworden lokale partners in crime te zoeken. Die zijn met elkaar verbonden en deel­nemende scholen krijgen individueel gerichte onder­steuning.

“We waren in 2022 op de conferentie van INSA (Inter­national Network for School Attendance, red.) in Egmond aan Zee. Daar ging een wereld voor ons open”, vertelt Mijke Withagen, projectleider school­aanwezig­heid van de gemeente Rotterdam.

De Rotterdammers gingen op expeditie, een reis naar kindgerichte bevordering van school­aanwezig­heid. “We moesten een voorraad inslaan en vonden een schat in het landelijke programma ‘Preventie met gezag’. Dat is niet op het onderwijs gericht, maar er is een relatie tussen criminali­teit en school­afwezig­heid.”

Individuele aandacht

Volgende fase in de expeditie was de voorbereiding. Er werd literatuur­onderzoek gedaan. Alle scholen, wijken en aanwezige kennis werden in kaart gebracht. Met leer­plicht­ambtenaren werd contact gelegd.

Er werd vervolgens een route uit­gestippeld: ze formuleerden doelen en aanpak. Mijke: “We zijn de energie gaan opzoeken, naar scholen gegaan en de situatie zelf gezien.” “Bij de ene school was het na één kopje koffie beklonken, bij de andere school moesten we héél veel koffiedrinken”, vult Sharon Soeters aan, ze is project­medewerker school­aanwezig­heid bij de gemeente Rotterdam. “Dat was niet erg, we willen individuele aandacht geven.”

Mijke en Sharon gingen veel platforms af om partijen mee te krijgen. Niet alleen op onderwijs­gebied, maar overal waar mensen samenkwamen die met jongeren te maken hebben. Mijke: “Daarnaast bleven we het vuurtje aanwakkeren en zuurstof geven, zodat het bleef branden.”

Openheid

Op de expeditie was het tijd om gidsen te werven: partners in crime. Die vonden ze in de verbindings­groep ‘Oog voor jou’, waarin gemeente, samenwerkings­verband, CJG en school­besturen zitten. Sharon: “We hebben gezegd dat het fijn zou zijn als van elk school­bestuur – er zijn er dertig in Rotterdam – een pilot­school erbij zit. Er zijn nu elf scholen die in contact zijn met elkaar.” Mijke: “Dat vraagt wel openheid van school­besturen. Daarom zijn wij ook eerlijk in alles naar elkaar toe.”

Elke school moest een school­aanwezig­heids­team opzetten en kreeg coaching van Mijke en Sharon. Mijke: “Scholen moesten net als wij hun eigen ontdekkings­tocht doen.” In het kernteam van school zit iemand van het zorgteam, van het management­team, een data­specialist en een verzuim­specialist.

Alle typen scholen

De helft van de scholen moest in Rotterdam-Zuid of Delfshaven liggen, waar de grootste problemen zijn. Alle typen scholen komen in aanmerking – zowel primair onderwijs, voortgezet onderwijs als middelbaar beroeps­onderwijs; zowel regulier als gespeciali­seerd onderwijs. Ook een OPDC (orthopeda­gogisch didactisch centrum) kan volgens Sharon preventief aan verzuim werken via de MD-MTSS-methode. “We proberen school na te laten denken over de ‘groene’ laag, de groep die geen aan­wezigheids­problemen vertoont, niet alleen de ‘rode’ laag waar afwezigheid problematisch is.”

De Rotterdamse aanpak samengevat in zes kenmerken:

  1. Scholen doen aan kennis­delen.
  2. Het team van Sharon en Mijke blijft één jaar betrokken.
  3. Per school wordt maatwerk geleverd.
  4. Het schoolbestuur krijgt training.
  5. Maandelijks brengt het team een bezoek van anderhalf uur aan de school.
  6. De leerplicht­ambtenaar wordt bij de implemen­tatie betrokken.
SESSIE
School­aanwezig­heid in de Friese Wouden

Ieder1 telt mee

Twee jaar lang liep Afke Hooghiemstra overal binnen met hetzelfde verhaal. “Soms kreeg ik twee minuten om snel even iets uit te leggen over school­­aanwezig­­heid.” Afke is regionale leerplicht­coördinator, beleids­­medewerker bij het Door­stroom­­punt en projectleider school­­aanwezig­heid. “In die paar minuten moest ik overtuigen dat dit de juiste weg was. Maar steeds leek het kwartje niet te vallen.” Het voelde als trekken aan een dood paard. Tot de ommekeer kwam.

Het antwoord werd uiteindelijk een grote bijeenkomst bij Firda in Drachten, op 12 februari 2025. Ruim 250 belang­stellenden uit de regio kwamen daar samen, ondanks het pak sneeuw dat die dag gevallen was. Afke: “Voor het eerst kon ik rustig uitleggen wat de aanpak behelst. En er gebeurde iets bijzonders: er ontstond energie, verbinding en enthousiasme. Dit was wat ik al die tijd had gemist. Achteraf bleek dat het keerpunt.”

Regionale beweging

Sinds die dag is er veel veranderd. Sterker nog: school­­aanwezig­heid is niet langer een los thema dat bij toeval op de agenda komt, maar een uitgangspunt in de regio. In de samen­werkings­­verbanden po en vo is het opgenomen in hun onder­steunings­profiel. Ze hebben bovendien gezamenlijk de subsidie Thuiszitters aangevraagd en toegewezen gekregen – een belangrijke impuls voor de implementatie van de aanpak.

Ook scholen en instellingen sluiten zich aan. Aeres en Firda hebben school­aanwezig­heid expliciet opgenomen in hun eigen plannen. Regionaal vroegen portefeuille­houders onderwijs het Door­stroom­punt om middelen vrij te maken voor de implementatie. En in de Regionale Educatieve Jeugd Agenda (REJA) en de regionale thuiszitters­tafel is school­aanwezig­heid inmiddels verankerd in beleid én in visie. Er is bovendien bestuurlijk en beleids­matig commitment om hier samen werk van te maken.

De kern van de aanpak

Wat houdt de aanpak school­aanwezig­heid in? Afke: “Met het project School­aanwezig­heid: Ieder1 telt mee gaan we de aanpak structureel uitrollen. De uitgangs­punten: we gaan sámen op reis, we helpen scholen en partners die de aanpak willen implementeren. Daarbij zeggen we niet: ‘Zo moet het’. Maar sluiten we aan bij wat scholen nodig hebben. Ook bouwen we aan een lerend netwerk waarin ervaringen en kennis gedeeld worden. Zodat we allemaal op dezelfde manier signaleren en aan data werken en ook weten hoe we die data moeten analyseren.”

De start vindt plaats op vijf pilot­scholen, verspreid over het po, vo en mbo in zeven gemeenten. Van daaruit groeit de beweging verder.

School­aanwezig­heid is inmiddels ook het uitgangspunt in alle 3 Friese Regionaal Programma’s. Afke: “Er is commitment om te starten met het project vanuit Door­stroompunt en er is het voornemen om het programma onder te brengen in het Regionaal Programma, deel contact­gemeente.

Adviezen en valkuilen

De ervaring leert dat enthousiasme alleen niet genoeg is. Implementatie vraagt tijd, ruimte en doorzettings­vermogen. En er liggen valkuilen op de loer. Zoals? Afke: “Zo gaan we werken met gecertificeerde trainers volgens het train-de-trainer principe. Te snel willen, te veel tegelijk doen of onvoldoende draagvlak organiseren kan echter de beweging ondermijnen. De aanpak leeft, de subsidie is aangevraagd, maar nu moeten we het ook nog gaan doen. En juist daarin schuilt ook een klein risico. Want we moeten het wel aankunnen met de beperkte capaciteit die we hebben.”

Daarom is het belangrijk steeds oog te houden voor de praktijk, denkt zij: wat werkt er op scholen, wat kunnen wij aan, waar hebben profes­sionals écht behoefte aan en hoe kunnen we het tempo afstemmen? Ofwel: ‘go slow to go fast’. En laten we vooral ook successen blijven vieren.”

Regionale beweging

Wat begon als losse pitches van twee minuten is daarmee uitgegroeid tot een regionale beweging waarin scholen, gemeenten en samen­werkings­verbanden samen optrekken. Dat heeft school­aanwezig­heid in de Friese Wouden van de marge naar het midden gebracht. Afke: “De volgende stap is om dit uit te bouwen tot een stevig en duurzaam netwerk, waarin iederéén mee telt, letterlijk en figuurlijk.”