De invloed van armoede op aanwezigheidWat betekent het om op te groeien in armoede, en welke invloed heeft dat op de manier waarop jongeren aanwezig kunnen zijn op school, letterlijk en figuurlijk? Tijdens zijn keynote op het Congres Schoolaanwezigheid deelde Milio van de Kamp, socioloog, docent van het jaar en auteur van Misschien moet je iets lager mikken, zijn persoonlijke en indringende perspectief op dit thema.
Van de Kamp liet zien hoe armoede veel meer is dan een financieel tekort. Het is, zoals hij het noemt, armoede aan kansen, aan reputatie en aan macht. Wie in armoede leeft, moet voortdurend laten zien dat hij betrouwbaar is: tegenover instanties, scholen en soms zelfs tegenover zichzelf. Juist in dat voortdurende bewijsdrang schuilt een groot risico: vermoeidheid, wantrouwen en uiteindelijk afwezigheid.
Zijn verhaal maakt duidelijk dat lage verwachtingen een bijna onzichtbare barrière vormen in het leven van veel jongeren. Goedbedoelde adviezen als “misschien moet je iets lager denken” kunnen diep ingrijpen in hun zelfbeeld en toekomstvertrouwen. Onderwijsprofessionals spelen hierin een cruciale rol: niet door méér te controleren, maar door onvoorwaardelijk vertrouwen te bieden.
Dat onvoorwaardelijk vertrouwen begint klein: een docent die één verwachting hoger inzet, een mentor die niet vraagt ‘waarom was je er niet?’, maar ‘wat had je nodig om er te kunnen zijn?’.
Van de Kamp pleit voor een verschuiving van wantrouwen naar vertrouwen: niet standaard controleren, maar uitgaan van goede intenties. Dat vraagt ook om ruimte voor professionele nabijheid. Dat docenten en mentoren kunnen handelen vanuit menselijkheid in plaats van protocol. En om het durven verhogen van verwachtingen: juist jongeren die te vaak horen dat ze lager moeten mikken, hebben het nodig dat iemand zegt: ik geloof dat jij dit kunt.
Wat Van de Kamp benadrukte tijdens zijn keynote, raakt aan een bredere opgave voor scholen en gemeenten: hoe zorgen we ervoor dat beleid en systemen niet bijdragen aan wantrouwen, maar juist helpen om verbinding te herstellen? Zijn verhaal laat zien dat structurele oplossingen pas werken als ze gepaard gaan met menselijkheid, vertrouwen en nabijheid in de dagelijkse praktijk.
De boodschap van Van de Kamp raakt de kern van het congres: schoolaanwezigheid gaat niet alleen over fysieke aanwezigheid in het lokaal, maar over erkenning, ruimte en vertrouwen. Over systemen die niet uitgaan van schuld, maar van menselijkheid.
Wie zijn verhaal wil nalezen, vindt het terug in zijn boek:
Misschien moet je iets lager mikken
“In Ierland was de situatie dat continu brandjes geblust werden. Er werd gehandeld op problemen”, schetst Amanda Cullen, teamleider voor de implementatie in Ierland. Voor invoering van MD-MTTS werden als eerste een basisschool en een school voor voortgezet onderwijs gekozen waar de schoolaanwezigheid laag was. De aandacht werd er gericht op leiderschap en verantwoordelijkheid in de hele school. Er werden teamleden gezocht die interesse toonden in de werkwijze en hen rollen gegeven.
De scholen moesten data gaan verzamelen en interpreteren, relaties met leerlingen en ouders opbouwen en (ook kleine) resultaten vieren. Succes ís er: van schooljaar 2023/2024 naar 2024/2025 steeg het aantal jongeren dat een goede schoolaanwezigheid laat zien van 34 naar 47 procent. Daarna zette de stijging zich verder door.
Het Ierse systeem heet ANSEO. Sleutelwoorden zijn: betrokkenheid, teamreflecties, data op orde en minimaal één interventie per laag van MD-MTSS. De scholen moesten ook een plan voor het tweede jaar opstellen, voor continuïteit en doorgroei.
In twee maanden tijd meldden zich 590 Ierse scholen die dit ook wilden. Dat was wat veel. Zestig scholen werden geselecteerd voor training (in totaal deden 415 teamleden mee). Er wordt nu een informatiemanagementsysteem voor scholen opgezet, contact gelegd met leerplichtambtenaren, interventies ontwikkeld voor laag 1 en er komt een analyse van regionale problemen (zoals dakloosheid, armoede, gezondheid).
Een Nationaal Plan tot 2028 voorziet in advertenties op alle mediakanalen en een site die toegankelijk is voor iedereen met voorbeelden. “Er moet een community of practice ontstaan”, zegt Amanda. In 2026 zijn 150 scholen aangesloten, is het doel, en eind 2026 alle scholen.
“Bij ons werken assimilatie- en kolonisatieproblemen door op schoolaanwezigheid”, schetst Lisa McKay-Brown de Australische situatie. Lisa is associate professor aan de universiteit van Melbourne. De afstanden – Australië heeft de omvang van driekwart Europa – maken implementatie van MD-MTSS lastiger.
Er is gestart met zestien scholen in Zuid-Australië. Die werden gecheckt op geschiktheid. Zo werd er nagegaan of de leraren en de school voldoende capaciteit hadden. De scholen verschilden sterk in populatie, onderwijssysteem, betrokkenheid van beleidsmakers, terminologieën, pedagogische omstandigheden en betrokkenheid van andere partijen. De schoolresultaten liepen ook uiteen.
Op een rijtje werd gezet wat nodig was voor implementatie. De scholen kregen daarbij coaching.
Voor implementatie werden vijf stappen gevolgd:
Uit de eerste scholen werd geleerd dat het team blijft leren, coaching-sessies helpen, de leertempo’s verschillen, train de trainer nodig is voor uitbreiding en er een online hulpbron moet komen.
Belangrijk onderdeel van de Australische invulling is de audit. In de audit wordt bepaald wat een school aankan, wat de omstandigheden zijn, wat reële doelen zijn, welke schoolstrategie gaat werken en de samenwerking met partners en het ondersteunende netwerk. “It’s all about contextualisation”, stelt Lisa.
Met oog op budgetten maakt Australië een plan voor de komende twee jaar.



Uitval in het mbo blijft een hardnekkig thema, ondanks een daling van het aantal voortijdig schoolverlaters in de afgelopen jaren. Nog altijd gaat het om duizenden jongeren die hun opleiding zonder diploma verlaten. “Beleid beschouwt uitval vaak uitsluitend als negatief”, zegt Irene. “Maar soms is het juist een bewuste en goede keuze om over te stappen naar een andere opleiding of baan. Het gaat dus niet alleen om minder uitval, maar vooral om beter begrijpen wie, waarom en wanneer uitvalt.”
Instaptesten blijken daarbij weinig waardevol. Cognitieve capaciteit en persoonlijkheidsprofielen voorspellen niet of studenten hun opleiding succesvol afronden. Ook verwachtingen bij de start verschillen nauwelijks tussen blijvers en uitvallers. “De verrassing van hoe een opleiding echt is, ervaren ze allemaal”, stelt Irene. “Alleen voor de één is dat reden om te stoppen en voor de ander juist om door te gaan.”
Veel meer voorspellend zijn de eerste cijfers, aanwezigheid en motivatie. Zo liet Irene studenten wekelijks zes korte stellingen invullen over hun motivatie en vertrouwen in de opleiding. “Al in week twee en drie zagen we significante verschillen tussen studenten die later uitvielen en degenen die bleven. Dat betekent dat we niet moeten wachten tot periode één voorbij is om te begeleiden, maar juist heel vroeg contact moeten leggen. Dus niet wachten tot week 9, maar al in week 3 het gesprek aangaan.”
Ook leeftijd speelt een rol: op 18 jaar is er een opvallende sprong in uitval, mede door veranderende wettelijke kaders en keuzeruimte. “Dat maakt 18 een risicoleeftijd”, zegt Irene. “Daar moet je dus alert op zijn.”
In verschillende pilots is gewerkt met machine learning om op basis van historische data de kans op uitval per student te berekenen. Irene: “Ik ben minder geïnteresseerd in het waarom en meer in het wie. Wie loopt nu het grootste risico? Als je dat weet, kun je als mentor of studieloopbaanbegeleider je tijd beter verdelen en eerder bij de juiste studenten aan tafel zitten. Dat maakt het verschil tussen te laat signaleren en tijdig ondersteunen.”
Ze voegt daar wel meteen aan toe dat technologie docenten niet vervangt. “Het gaat om ondersteuning. Machine learning kan patronen herkennen, maar het blijft de professional die de inschatting maakt en het gesprek voert.” Betrouwbare data zijn daarbij cruciaal. “Aanwezigheid is een sterke voorspeller, maar alleen als die consequent en zorgvuldig wordt geregistreerd.”
Een belangrijk inzicht is dat niet alle uitval dezelfde aanpak vraagt. Sommige studenten vallen uit door omstandigheden waar een school nauwelijks invloed op heeft, zoals detentie of ernstige thuissituaties. Anderen maken juist een bewuste overstap naar een andere opleiding of baan.
Daar tussenin liggen de groepen waar wél verschil te maken is: studenten die afhaken door zorgproblemen, motivatieverlies of een mismatch met het curriculum. “Als je weet welk type uitval in jouw opleiding het meest voorkomt, kun je gerichter interventies kiezen”, legt Irene uit. “Bij zorgproblemen helpt het om eerder signalen op te vangen en door te verwijzen. Bij een curriculum-mismatch moet je kijken naar roosters, binding en de manier waarop je studenten in die cruciale eerste weken meeneemt.”
Volgens Irene is het de combinatie die werkt: data geven richting, maar het gesprek met de student blijft onmisbaar. “We moeten het gesprek voeren, luisteren en de context meenemen. Data vertellen je wie risico loopt, maar pas in dialoog ontdek je wat er echt speelt.”
Ze besluit met een oproep: “Laten we niet alleen praten over minder uitval, maar over meer aanwezigheid, meer motivatie en meer studenten die zich gezien voelen. Uiteindelijk gaat het erom dat jongeren zich verbonden weten met hun opleiding en perspectief zien. Als we daar in de eerste weken tijd en aandacht voor hebben, winnen we allemaal.”
Uitval kent verschillende vormen en vraagt om verschillende reacties. Irene onderscheidt vier typen:
1. Niet-beïnvloedbaar
Studenten die uitvallen door omstandigheden waar een school nauwelijks invloed op heeft, zoals detentie of ingrijpende thuissituaties.
2. Bewuste overstappers
Studenten die weloverwogen kiezen voor een andere opleiding of baan. Voor hen is uitval een positieve stap, al telt het formeel wel mee in de cijfers.
3. Zorg-gedreven uitval
Studenten die afhaken door financiële, psychische of sociale problemen. Hier kan vroeg-signalering en doorverwijzing veel verschil maken.
4. Mismatch en motivatieverlies
Studenten die vastlopen door roosters, curriculum of gebrek aan binding. Dit vraagt om verbeteringen in organisatie en begeleiding, vooral in de eerste weken.
Digitale School is een project van het ministerie van OCW en Kennisnet. Het actieplan van drie jaar moet uitvallers weer terug in het onderwijs krijgen en dreigende uitvallers betrokken houden bij onderwijs. Digitaal afstandsonderwijs moet onderdeel worden van passend onderwijs en hiervoor moet dekkende wetgeving komen. Met ervaringen uit praktijkonderzoek kan dit onderwijs verder ontwikkeld worden.
Zestien coalities zijn nu aangesloten, met elk daarin twee scholen/stichtingen en een samenwerkingsverband. Zij worden ontwikkeld tot ‘expertisecentra digitaal afstandsonderwijs’. Ze kunnen dan andere scholen helpen. Het actieplan ondersteunt de coalities.
Voor een proef zijn bijvoorbeeld kinderen geselecteerd die één keer per week niet naar school gaan (wegens prikkels of afstand), die op bijvoorbeeld een zorgboerderij komen en toch onderwijs willen volgen, en kinderen die een speciale voorziening hebben.
“Digitaal afstandsonderwijs is echt niet zo ingewikkeld”, verzekert Ellen Ros, projectadviseur Digitaal Onderwijs. “Volg gewoon de stappen die je moet doen en voldoe aan wat de leerling nodig heeft.” Het gaat immers om maatwerk.
Belangrijk is de acceptatie dat een groep leerlingen het echt niet lukt naar school te gaan. Via digitaal onderwijs blijven ze aangehaakt, wordt uitval voorkomen of ze zijn uitgevallen en kunnen zich zo toch ontwikkelen. Anders dan in gespecialiseerd onderwijs staan in regulier onderwijs de drie doeldomeinen (kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming) minder scherp op het vizier, waardoor er meer onbekendheid en schroom is.
“Eerste stap is dat je gaat luisteren en begrijpen, dat je niet met een plan komt”, stippelt Ellen uit. “Het kind tevoorschijn luisteren, noem ik het ook wel.” Dat vraagt een open mind en niet: ‘dat mag niet’.
Bij het opstellen van een plan kijk je ook naar de voorwaarden, bijvoorbeeld of er überhaupt een computer voor het kind is en goede wifi. Ellen: “Daarvoor heb je geen ingewikkeld programma nodig, met Teams kom je al ver.” Vervolgens komt de uitvoering. “In een startgesprek stem je verwachtingen af.” Je blijft het volgen, begeleiden en bijsturen.
Tijdens de evaluatie zijn het welbevinden en socialisatie van het kind toetsstenen. Ook wordt dan het vervolg afgesproken.
Digitaal onderwijs is voor elk niveau mogelijk, vanaf de peuters al. Lastiger is het voor het praktijkonderwijs. Ellen: “Probeer het echter gewoon. Het kind is dan in ieder geval verbonden met school.”
Bekostiging van middelen en begeleiding kan – zoals in Zeeland is afgesproken binnen het samenwerkingsverband – via de stamschool die aan de gastschool betaalt.
In Duitsland is digitaal afstandsonderwijs bij wet geregeld, in Nederland is er veel onduidelijkheid over: mag het, wie betaalt het? Ellen: “Bij wet heeft elk kind recht op onderwijs. Geld kán geen belemmering zijn.” Een school kan bang zijn voor een aanzuigende werking. “Omdat er niets anders is”, weet Ellen. “Een kind krijgt het echter niet zomaar. Een toelatingscommissie toetst het of misschien toch een TLV (toelatingsverklaring, red.) en speciaal onderwijs nodig is.”
Onderwijs buiten school staat nog op gespannen voet met het de regel dat in het OPP (ontwikkelingsperspectief) ‘terugkeer naar school’ als doel wordt opgenomen. Op digitaal afstandsonderwijs is ook geen toezicht vereist. Alternatief is echter dat deze kinderen een vrijstelling krijgen, geen onderwijs meer volgen en minder kansen hebben op een carrière.
“We waren in 2022 op de conferentie van INSA (International Network for School Attendance, red.) in Egmond aan Zee. Daar ging een wereld voor ons open”, vertelt Mijke Withagen, projectleider schoolaanwezigheid van de gemeente Rotterdam.
De Rotterdammers gingen op expeditie, een reis naar kindgerichte bevordering van schoolaanwezigheid. “We moesten een voorraad inslaan en vonden een schat in het landelijke programma ‘Preventie met gezag’. Dat is niet op het onderwijs gericht, maar er is een relatie tussen criminaliteit en schoolafwezigheid.”
Volgende fase in de expeditie was de voorbereiding. Er werd literatuuronderzoek gedaan. Alle scholen, wijken en aanwezige kennis werden in kaart gebracht. Met leerplichtambtenaren werd contact gelegd.
Er werd vervolgens een route uitgestippeld: ze formuleerden doelen en aanpak. Mijke: “We zijn de energie gaan opzoeken, naar scholen gegaan en de situatie zelf gezien.” “Bij de ene school was het na één kopje koffie beklonken, bij de andere school moesten we héél veel koffiedrinken”, vult Sharon Soeters aan, ze is projectmedewerker schoolaanwezigheid bij de gemeente Rotterdam. “Dat was niet erg, we willen individuele aandacht geven.”
Mijke en Sharon gingen veel platforms af om partijen mee te krijgen. Niet alleen op onderwijsgebied, maar overal waar mensen samenkwamen die met jongeren te maken hebben. Mijke: “Daarnaast bleven we het vuurtje aanwakkeren en zuurstof geven, zodat het bleef branden.”
Op de expeditie was het tijd om gidsen te werven: partners in crime. Die vonden ze in de verbindingsgroep ‘Oog voor jou’, waarin gemeente, samenwerkingsverband, CJG en schoolbesturen zitten. Sharon: “We hebben gezegd dat het fijn zou zijn als van elk schoolbestuur – er zijn er dertig in Rotterdam – een pilotschool erbij zit. Er zijn nu elf scholen die in contact zijn met elkaar.” Mijke: “Dat vraagt wel openheid van schoolbesturen. Daarom zijn wij ook eerlijk in alles naar elkaar toe.”
Elke school moest een schoolaanwezigheidsteam opzetten en kreeg coaching van Mijke en Sharon. Mijke: “Scholen moesten net als wij hun eigen ontdekkingstocht doen.” In het kernteam van school zit iemand van het zorgteam, van het managementteam, een dataspecialist en een verzuimspecialist.
De helft van de scholen moest in Rotterdam-Zuid of Delfshaven liggen, waar de grootste problemen zijn. Alle typen scholen komen in aanmerking – zowel primair onderwijs, voortgezet onderwijs als middelbaar beroepsonderwijs; zowel regulier als gespecialiseerd onderwijs. Ook een OPDC (orthopedagogisch didactisch centrum) kan volgens Sharon preventief aan verzuim werken via de MD-MTSS-methode. “We proberen school na te laten denken over de ‘groene’ laag, de groep die geen aanwezigheidsproblemen vertoont, niet alleen de ‘rode’ laag waar afwezigheid problematisch is.”
Het antwoord werd uiteindelijk een grote bijeenkomst bij Firda in Drachten, op 12 februari 2025. Ruim 250 belangstellenden uit de regio kwamen daar samen, ondanks het pak sneeuw dat die dag gevallen was. Afke: “Voor het eerst kon ik rustig uitleggen wat de aanpak behelst. En er gebeurde iets bijzonders: er ontstond energie, verbinding en enthousiasme. Dit was wat ik al die tijd had gemist. Achteraf bleek dat het keerpunt.”
Sinds die dag is er veel veranderd. Sterker nog: schoolaanwezigheid is niet langer een los thema dat bij toeval op de agenda komt, maar een uitgangspunt in de regio. In de samenwerkingsverbanden po en vo is het opgenomen in hun ondersteuningsprofiel. Ze hebben bovendien gezamenlijk de subsidie Thuiszitters aangevraagd en toegewezen gekregen – een belangrijke impuls voor de implementatie van de aanpak.
Ook scholen en instellingen sluiten zich aan. Aeres en Firda hebben schoolaanwezigheid expliciet opgenomen in hun eigen plannen. Regionaal vroegen portefeuillehouders onderwijs het Doorstroompunt om middelen vrij te maken voor de implementatie. En in de Regionale Educatieve Jeugd Agenda (REJA) en de regionale thuiszitterstafel is schoolaanwezigheid inmiddels verankerd in beleid én in visie. Er is bovendien bestuurlijk en beleidsmatig commitment om hier samen werk van te maken.
Wat houdt de aanpak schoolaanwezigheid in? Afke: “Met het project Schoolaanwezigheid: Ieder1 telt mee gaan we de aanpak structureel uitrollen. De uitgangspunten: we gaan sámen op reis, we helpen scholen en partners die de aanpak willen implementeren. Daarbij zeggen we niet: ‘Zo moet het’. Maar sluiten we aan bij wat scholen nodig hebben. Ook bouwen we aan een lerend netwerk waarin ervaringen en kennis gedeeld worden. Zodat we allemaal op dezelfde manier signaleren en aan data werken en ook weten hoe we die data moeten analyseren.”
De start vindt plaats op vijf pilotscholen, verspreid over het po, vo en mbo in zeven gemeenten. Van daaruit groeit de beweging verder.
Schoolaanwezigheid is inmiddels ook het uitgangspunt in alle 3 Friese Regionaal Programma’s. Afke: “Er is commitment om te starten met het project vanuit Doorstroompunt en er is het voornemen om het programma onder te brengen in het Regionaal Programma, deel contactgemeente.
De ervaring leert dat enthousiasme alleen niet genoeg is. Implementatie vraagt tijd, ruimte en doorzettingsvermogen. En er liggen valkuilen op de loer. Zoals? Afke: “Zo gaan we werken met gecertificeerde trainers volgens het train-de-trainer principe. Te snel willen, te veel tegelijk doen of onvoldoende draagvlak organiseren kan echter de beweging ondermijnen. De aanpak leeft, de subsidie is aangevraagd, maar nu moeten we het ook nog gaan doen. En juist daarin schuilt ook een klein risico. Want we moeten het wel aankunnen met de beperkte capaciteit die we hebben.”
Daarom is het belangrijk steeds oog te houden voor de praktijk, denkt zij: wat werkt er op scholen, wat kunnen wij aan, waar hebben professionals écht behoefte aan en hoe kunnen we het tempo afstemmen? Ofwel: ‘go slow to go fast’. En laten we vooral ook successen blijven vieren.”
Wat begon als losse pitches van twee minuten is daarmee uitgegroeid tot een regionale beweging waarin scholen, gemeenten en samenwerkingsverbanden samen optrekken. Dat heeft schoolaanwezigheid in de Friese Wouden van de marge naar het midden gebracht. Afke: “De volgende stap is om dit uit te bouwen tot een stevig en duurzaam netwerk, waarin iederéén mee telt, letterlijk en figuurlijk.”