Netwerkbijeenkomst Noord

‘Hulp moet hulp blijven en geen controle worden’

Hoe gaan zorgverleners en maatschappelijke instellingen er in Amsterdam-Noord voor zorgen dat ouders met psychische problemen in een betere positie komen om hun kind een goede start te geven? Dat begint met elkaar vinden en samenwerken. “Ik hoop dat kinderen niet hoeven op te groeien zoals ik ben grootgebracht”, zegt een ervaringsdeskundige.

De bijeenkomsten van het programma Gezonde en Kansrijke Start in het afgelopen jaar hebben al heel wat in beweging gezet in Noord. De babypop die sinds de vorige netwerkbijeenkomst van professional naar professional is gegaan heeft ervoor gezorgd dat de focus op het kind is gebleven en dat de professionals elkaar beter hebben leren kennen.

Ook is er vanuit het programma ‘Gezond leven gemakkelijker maken’ van de GGD Amsterdam een project geweest op het thema zwangerschap”, vertelt Milou Koldijk, adviseur gezondheid en leefstijl bij GGD Amsterdam. “We vragen heel direct aan zwangere vrouwen wat zij nodig hebben. Daaruit is een aantal mooie ideeën gekomen die we in 2024 tot uitvoer willen brengen.”

Een ander project in Noord is de Schuldenaanpak Kansrijke Start. Sinds augustus 2023 helpt Buurtteam Amsterdam-Noord aanstaande gezinnen bij het versneld saneren van schulden. “Vervolgens kijken we naar de effecten van versnelde schuldhulpverlening op het ongeboren kind of jonge kinderen. Zo zien we hoe zinvol deze interventie is.”

Harde cijfers

In deze netwerkbijeenkomst Amsterdam-Noord ligt de focus op Kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP) en Kinderen van ouders met een verslaving (KOV). Mariëlle Benic en Jochem Starreveld van GGZ-instelling Arkin leggen uit wat de problematiek van ouders doet met kinderen en wat beschermende factoren zijn. Ze zetten de harde cijfers nog maar eens op een rij. In Nederland hebben 900.000 kinderen onder de achttien jaar ouders met psychische problemen of een verslavingsproblematiek. 664.000 kinderen zijn onder de twaalf jaar. Starreveld: “Eén op de vier kinderen heeft daarmee te maken. Maar deze cijfers gaan alleen om ouders die gediagnostiseerd zijn. Wij denken dat één op de twee kinderen te maken heeft met een ouder met psychische of verslavingsproblematiek. Die kinderen hebben twee tot vier keer meer risico om zelf een verslaving te ontwikkelen of psychische problemen te krijgen. Ze doen vijf keer meer een beroep op gespecialiseerde jeugdzorg. Ze hebben twee tot drie keer meer kans op kindermishandeling.”

Benic stelt dat ouders zelf niet zo snel om hulp zullen vragen. “Het is goed om je op het kind te richten.” Starreveld vult aan: “Maar als je ouders spreekt en ziet, attendeer hen erop dat het belangrijk is dat kinderen dingen weten. Kinderen moeten niet het idee hebben dat het door hen komt dat het niet goed gaat met de ouders. Vanaf een jaar of acht kunnen kinderen die gesprekken prima voeren. Daar hebben we ook een groep voor.”

‘It takes a village to raise a child’

Beschermende factoren zijn een netwerk om het (aankomende) gezin heen. ‘It takes a village to raise a child’. Vaak weten mensen de weg niet in de zorg. Het maken van een groep kan verzachtend werken. Een goede ouder-kind interactie werkt beschermend voor het kind. Binnen KOPP/KOV is een aantal interventies om daaraan te werken. Benic: “Dat kan laagdrempelig door naar een spelinloop te gaan. Voor ouders met baby’s tot één jaar hebben we Beter omgaan met je baby, waarin ouders shantala massage leren. Ouders maken dan op een liefdevolle manier contact met de baby en ze praten met andere ouders. Zo merken ze dat ze niet de enigen zijn die zich tekort voelen schieten of het even lastig vinden.”

Schaamte en angst

Vanuit de zaal komt de opmerking dat de nadruk moet liggen op hulp. “Ouders moeten weten dat hulp ook echt hulp is, en geen controle. Er is veel schaamte en angst. Als er veilig over het ouderschap kan worden gepraat zonder consequenties, dan helpt dat.” Starreveld van Arkin benadrukt dat ouders bij KOPP/KOV terecht kunnen zonder doorverwijzing van een arts en dat er geen dossiers worden bijgehouden.

Aan de tafels gaat het gesprek over vroegsignalering. De verloskundige zegt dat ze ouders scant. “Zijn ze jong en vrolijk, dan ga je ervanuit dat het wel goed zit.” De jeugdverpleegkundige bij het consultatiebureau zegt dat ze let op de ontwikkeling van een kind en of die opvallend afwijkt, bijvoorbeeld in taal, spraak of groei. Ze denken dat er winst te halen valt in een warme overdracht als er risico’s lijken te zijn. “Vanaf morgen moeten we kijken hoe we doelen scherper kunnen stellen en hoe we elkaar laagdrempelig kunnen bereiken.

Vaak maken we met het OKT de afspraak: jullie doen het kind, wij de ouder. Maar het is goed als alle partijen naar het hele gezin blijven kijken, want ze horen bij elkaar’

Kijken naar het hele gezin

De medewerker van het buurtteam constateert dat in de samenwerking elke keer weer naar het hele gezin moet worden gekeken. “Vaak maken we met het Ouder- en Kindteam de afspraak: jullie doen het kind, wij de ouder. Dan houd ik me niet meer bezig met het kind. Maar het is goed als alle partijen naar het hele gezin blijven kijken, want ze horen bij elkaar.”

Zo zijn er meer praktische tips. Zoals dat nieuwe professionals na hun Inwerkperiode direct aan de slag moeten met het leren kennen van het netwerk. Ook zouden er minder drempels moeten zijn in het overdragen van informatie. “Voor een kraamverzorgende is het handig om te weten wat er speelt in een team waar ze komt. Maar hoe organiseren we dat dan?”

Informele organisaties

Een andere voorstel is om zichtbaarheid van zorg te bevorderen door contact te leggen met informele organisaties. “Denk aan de voedselbank, moskeeën of de speeltuin. Een overblijfjuf ziet heel goed wat kinderen meekrijgen van huis. Gluren bij de buren kan veel inzichten geven hoe ouders met kinderen omgaan. Formeel zijn we betrokken, informeel wat minder.”

Tijdwinst

Stadsbestuurder Esther Lagendijk constateert dat er in een jaar al grote stappen zijn gezet. “Caseloads zijn vol. Tijdsdruk is groot. En dan komt het samenwerken er nog eens bij. Je moet tijd investeren om elkaar te leren kennen. Maar als je dat goed hebt geregeld, levert het tijdwinst op. Als de kraamverzorgende weet in welk gezin ze terecht komt, scheelt dat tijd en gedoe. Als een Ouder- en Kindteam dicht bij een verloskundigenpraktijk zit, maar ze elkaar niet kennen, dan moeten we dat kunnen regelen. En ook wij zien dat er veel zorgmijders zijn. Bij die mensen speelt angst. Via informele organisaties kunnen we het bereik vergroten. Daar ligt een uitdaging voor ons allemaal.”

Reactie

Genelva Oosterwolde, adviseur Ouder- en Kindteam Noordoost:

‘Werken aan kortere lijntjes’

“In Amsterdam Noordoost voer ik gesprekken met ouders en kinderen. Ik ben verbonden aan een basisschool en ik doe huisbezoeken. Ik weet dat de GGZ-problematiek wijdverbreid is, maar toch schrik ik van de cijfers van Arkin. Volgens mij is er veel meer te halen uit de samenwerking in de hulpverlening. We moeten werken aan kortere lijntjes. De JGZ-collega’s aan tafel kende ik al; we zitten in hetzelfde pand. Dat is ook professioneel een kort lijntje. Maar die verbinding zou je ook met het buurtteam willen hebben en met maatschappelijk werk van het ziekenhuis en verloskundigen. Dan kun je echt stappen zetten met het creëren van beschermende factoren en aanpakken van individuele problemen van ouders.”

Colofon

Deze website is gemaakt in opdracht van GGD Amsterdam.

Teksten: Karlijn Broekhuizen, Marijn Kramp en Robin Ouwerkerk
Eindredactie: Karlijn Broekhuizen
Fotografie: Sanne Couprie
Vormgeving en techniek: Lisanne Gottenbos